Gratis schrijfworkshop bij OBA van der Pek

Een cadeautje van de honderdjarige OBA:

Zaterdag 2 maart 2019, 13:00 – 15:00 uur, OBA Van der Pek

Wie jarig is, trakteert. Bij de feestelijkheden in de vestiging OBA Van der Pek bieden we een gratis proefworkshop aan van schrijfster en docente Wilma van den Akker (Mevrouw SchrijfTaal). Zij helpt je aan verrassend schrijfgereedschap. Je zult verbaasd zijn over wat er uit je eigen pen komt. Is dat geen mooi cadeau?

Bij voldoende belangstelling geeft zij daarna elke laatste zaterdag van de maand schrijftraining, onder de noemer ‘Noord Schrijft!’

Toegang op 2 maart is gratis.

Het was mooi schrijven in het oude, kleine Lokaal Spaanders. Wordt van der Pek de nieuwe plek voor Noord Schrijft!?

OBA Van der Pek | Gentiaanstraat 1 | 1031AE Amsterdam
T: 0206369552 | E: vanderpek@oba.nl

Blog aflevering XVI: Waarom ik met die manager in mijn maag zit, deel 2

 

Blogtekst over de achtergrond van mijn roman ‘Een veilige plek’.

Deel XVI: Waarom ik met die manager in mijn maag zit, deel 2

Vandaag aarzel ik tussen het schrijven van nóg een blogtekst, over de manager in mijn maag, en het daadwerkelijk beginnen met herschrijven van ‘Een veilige plek’. Omdat ik gisteren al aan de manager begonnen ben, ligt de drempel wat lager om haar hier af te maken. Afmaken is hier geen fout, geen Freudiaanse slip, maar een bewust gekozen werkwoord.

Bij het schrijven wil ik er alles aan doen om stereotypen en flat characters te vermijden. Interessante karakters hebben diepgang, zijn gelaagd en maken als het even kan een ontwikkeling door. Zie hier mijn probleem: hoe maak je een interessant personage van een hysterisch takkenwijf? In vroege versies van het boek probeerde ik het op te lossen met het beschrijven van een aantal incidenten. Hiermee maakte ik vooral duidelijk dat alle andere personages een hekel hadden aan het personage Marie-Louise, de teammanager. Dat was te zwart/wit, dus ik ging op zoek naar haar drijfveren. Geen eenvoudige opgave, vooral omdat ik die drijfveren voor het grootste deel geloofwaardig uit mijn duim moest zuigen.

Wat zijn haar drijfveren? Juist dat was de vraag, die ik mijzelf voortdurend stelde in de vijf jaar dat ik onder deze vrouw gewerkt heb. Wat bezielt haar? Waarom heb ik zo’n last van haar? En: hoe ga ik in godsnaam met haar om? Uit de vorige aflevering van mijn blog blijkt dat de omstandigheden verre van veilig, laat staan ondersteunend waren. Het gedrag van de teammanager versterkte die onveiligheid tot de derde macht. Ze hijgde het personeel in de nek, gaf tegenstrijdige opdrachten en zaaide angst en verdeeldheid. Wat kan ik er meer over zeggen? In het boek staat een aantal fictieve gesprekken en incidenten met het personage Marie-Louise, die een beeld moeten schetsen. Op deze plek zal ik me beperken tot de laatste periode van mijn dienstverband bij Blijf Amsterdam.

Empathisch vermogen

Ik was al vijf jaar aan het zoeken naar manieren om met de leidinggevende om te gaan, met vallen en opstaan. Dat kostte erg veel energie. Toen kreeg ik een voorstadium van borstkanker. Hiermee wil ik geen oorzakelijk verband suggereren, maar het vervolg was zeker niet goed voor mijn gezondheid. Kortgezegd moest uiteindelijk mijn rechterborst worden geamputeerd. Reactie van de teammanager, met een hysterische uithaal: ‘Ooo! Dat kost je je vrouwelijkheid!’ Tot zover haar empathische vermogen.

Het heeft ongeveer een jaar geduurd om fysiek te herstellen. Er was een grote wond en er waren complicaties bij de genezing. Kort na de operatie kwamen de dwingende telefoontjes, dat ik weer aan het werk moest gaan. Die telefoontjes werkten averechts op mijn herstel. Ergens heb ik nog een poosje gewerkt, maar mijn energie was op, dus ik moest me opnieuw ziek melden. Wéér die telefoontjes. Ik heb toen drastisch besloten niet meer met deze vrouw te praten. Ik werd letterlijk ziek van haar. Na veel gesprekken met de sectormanager, personeelszaken en de bedrijfsarts is het besluit gevallen dat ik zou vertrekken, met een ontslagvergoeding. Na dertien jaar werken in de Vrouwenopvang was het genoeg geweest. Niet lang daarna werd ik zzp’er en begon ik aan de eerste versies van mijn boek.

Onverenigbaar

Volgens personeelszaken was er sprake van ‘onverenigbare karakters’. Wrang was, dat Blijf geen afscheidsfeestje voor mij wilde organiseren. Terwijl ik in de loop der jaren heel wat borrels voor vertrekkende collega’s had meegemaakt en afscheidsboeken had samengesteld. Argumenten: ‘Het zou ongepast zijn een borrel te organiseren waarbij de leidinggevende niet wordt uitgenodigd,’ en ‘de ontslagvergoeding heeft al genoeg gekost.’ Gelukkig organiseerden lieve collega’s uit eigen zak een gezellige borrel en cadeautjes.

Wordt misschien wel vervolgd, maar nu ga ik eerst de roman herschrijven.

Naschrift: natuurlijk gebruik ik hier noch in het boek de echte naam van mijn toenmalige leidinggevende. Ook zij werkt er trouwens allang niet meer. Binnen een jaar kreeg ik een telefoontje van een ex-collega. Ze belde rechtstreeks vanuit een vergadering: ‘Ze wordt ontslagen!’ De opgegeven reden was: gebrek aan daadkracht. Kortgeleden bereikte mij het bericht dat de directeur van Blijf Amsterdam met pensioen gaat. Ik hoop stiekem dat zij mijn boek gaat lezen. En ook, dat ooit het productdenken overboord gaat én dat de weeffout in de organisatie hersteld wordt. Opdat Blijf ook voor hulpverleners een veilige plek wordt.

 

Blog aflevering XV: Waarom ik met die manager in mijn maag zit, deel 1

 

 

Blogtekst over de achtergrond van mijn roman ‘Een veilige plek’.

Deel XV: Waarom ik met die manager in mijn maag zit, deel 1

Het is januari 2019 en ik werk nog steeds aan Een Veilige Plek. Of wéér. Het is me gelukt om literaire belangstelling op te wekken met mijn manuscript, met het advies nog het één en ander aan te passen. En dat ga ik doen, deze maand. Ik was blijven steken bij het taaiste onderwerp, het onderwerp dat ook de aanleiding vormde om aan het boek te beginnen: de leidinggevende. Ik ben tien jaar geleden vertrokken bij Blijf. De sporen van dertien jaar werken in die organisatie zijn verzacht, evenals het litteken van de borstoperatie die mijn vertrek daar inluidde. Op die operatie kom ik later terug. Maar waarom zat ik toen en zit ik nu bij het schrijven zo met die manager in mijn maag? Die vraag blijft lastig te beantwoorden, maar ik zal een paar redenen proberen te geven.

Hulp als product

Eén reden is een algemene, die momenteel sterk speelt in zorg en hulpverlening, nog sterker dan tien of twintig jaar geleden. Ik hoor vaak dat mensen in die sectoren die ‘het echte werk’ doen, het moeilijk hebben met managers. Zij worden afgerekend in productie per minuut. Zelfs de schoonmaakster in een bejaardenhuis mag tegenwoordig maar twee minuten per toilet besteden en krijgt op haar kop als het niet schoon genoeg is. Wij weten allemaal welke domme politieke beslissingen er aan deze ontwikkeling ten grondslag liggen.

Als ik bijvoorbeeld aan het Slotervaartziekenhuis denk, word ik boos en verdrietig. Ik weet dat het ooit een bijzonder, kleinschalig ziekenhuis was, waar een echte teamgeest heerste. Dat ziekenhuis is kapotgemanaged omdat zorg zo nodig een product moest worden. De verantwoordelijke minister liet in zijn ziel kijken door het ziekenhuis een stapel stenen te noemen. Hoe hatelijk voor al die mensen die – tegen de marktwerking in – daar met hart en ziel hun werk deden. Er zijn veel voorbeelden te geven, maar de domme fout zit hierin: zorg en hulpverlening zijn geen producten om op de markt te gooien. Het excuus dat als een mantra wordt herhaald, net zolang tot iedereen het gaat geloven: ‘zorg is onbetaalbaar geworden’. Daarom word ik giftig als ik spotjes voor zorgverzekeraars en voor ‘objectieve’ vergelijkers van zorgverzekeraars zie. Reclamegeld is weggegooid geld en wordt doorberekend in de zorgpremie.

In mijn tijd in de Vrouwenopvang begon het registreren en opdelen van hulpgesprekken in minuten. Ik had er niet eens zoveel moeite mee, zag het als een noodzakelijk kwaad waarvoor ik mijn hand niet omdraaide. Waar ik wel moeite mee had, was dat de verwerking van de registratie voor geen meter klopte, terwijl wij onder druk werden gezet om het beter te doen omdat Blijf anders failliet zou kunnen gaan.

Weeffout in het systeem

Ik kom nu pas aan de tweede reden waarom ik zo met die manager zat. Ik probeer het kort te houden. Er zijn boekwerken vol geschreven over trauma’s en over de gevolgen van het werken met getraumatiseerde mensen. Vrouwen in Blijfhuizen zijn per definitie getraumatiseerd omdat zij uit gewelddadige relaties komen. Dat geldt ook voor hun kinderen. Om het populair te zeggen: dat doet wat met je als hulpverlener. Je wereldbeeld raakt vertekend, je kunt je ogen niet meer sluiten voor de vele vormen van geweld – fysiek, psychisch en seksueel – die zich in relaties voordoen. Je loopt indirect schade op. Secundaire traumatisering is geen fabeltje.*

Om te zorgen dat hulpverleners zich veilig voelen én gesteund in hun werk is het van groot belang dat er onafhankelijke supervisie wordt gegeven. Dat kost geld. En omdat het geld er niet is, wordt de hete aardappel bij de hulpverleners gedropt. Heb je er last van, dan ben je niet geschikt voor je werk. Alleen in de periode dat ik bij de telefonische afdeling werkte, kreeg mijn team een aantal sessies supervisie van een onafhankelijke psycholoog. Wat was dat een verademing en wat heb ik daar veel geleerd! Ik kreeg als eindboodschap mee: ‘Jij bent een prachtige mix van kracht en kwetsbaarheid’. Dat vergeet ik nooit.

Het team Begeleid Wonen was nieuw, in een nieuw pand, met een nieuwe leidinggevende die de doelgroep en het werk niet kende. Om het gebrek aan ondersteuning voor de hulpverlening te compenseren, werd de term ‘coachend management’ ingevoerd. De psycholoog die ons eerder supervisie had gegeven noemde het een ernstige weeffout in de organisatie. Want deze constructie is per definitie onveilig. Hoe kun je je kwetsbaar opstellen over de inhoud van je werk tegenover iemand aan wie je ook verantwoording moet afleggen over de ‘productie’? Met de Ondernemingsraad heb ik tevergeefs gevochten om deze fout te herstellen. Ik was zes jaar voorzitter en dit was continu speerpunt. De directie bleef erbij dat coachend management afdoende was. Lees: het bracht geen extra kosten mee. Wel werd de functie van manager er zwaarder en complexer door en ik weet zeker dat de manager die deze spagaat kan hanteren nog geboren moet worden.

De derde reden is van persoonlijker aard en zal ik in de volgende aflevering bespreken.

Wordt vervolgd

 

* Lees bijvoorbeeld de publicaties van psycholoog Angeline Donk over dit onderwerp.

Blog aflevering XIV: Het échte werk en de leidinggevende

 

Blogtekst over de achtergrond van mijn roman ‘Een veilige plek’.

Deel XIV: Het échte werk en de leidinggevende

Het werk op zichzelf ging me goed af. Hoe ingewikkeld het soms ook was, ik kon échte cliënten en hun kinderen op gang helpen. Vrouwen met allerlei achtergronden en culturen die maar één ding gemeen hadden: ze waren gevlucht uit een gewelddadige relatie en probeerden een nieuwe start te maken. Er waren trauma’s te verwerken en praktische zaken te regelen.

De vrouwen kregen een vaste maatschappelijk werker en elke wooneenheid had een vaste groepswerker. Afhankelijk van de gezinsgrootte woonden er drie tot vijf vrouwen in een eenheid. Iedereen kreeg een kamer voor zichzelf en haar eventuele kinderen. Keuken, wasruimte en sanitair werden gedeeld. Hier ontstonden gelijksoortige conflicten als in relaties: over de afwas en over haren in doucheputjes. Verschillen in gewoontes en culturele achtergrond zorgden ook voor misverstanden. Me van geen kwaad bewust stapte ik een keer over een boodschappentas heen, die een trap blokkeerde. De eigenaresse van de boodschappen raakte helemaal in paniek omdat de boodschappen nu onrein waren. Tenminste, dat had gekund, als ik ongesteld was geweest. Zo is het ook verboden om over een op de grond liggend kind te stappen. Dat is ongeveer even riskant als in onze cultuur onder een ladder door lopen.

Leidinggevende

De nieuwe team manager was opgeduikeld in het netwerk van een andere leidinggevende. Mijn eerste indruk bij de kennismaking was: een levendige vrouw met kort grijs haar, heldere blauwe ogen en een klaterende lach. Ze had geen ervaring in de Vrouwenopvang, wel in de zorg voor gehandicapten. Zij praatte graag over zichzelf en leek zich kwetsbaar op te stellen door te vertellen over de strijd die ze voerde met haar lastige puberdochter.

Ik kende de organisatie al acht jaar en kon haar er dus veel over vertellen. Omdat ik had gemerkt dat veel collega’s met weerzin spraken over ‘die managers’, alsof het om een andere diersoort ging, nam ik me voor haar onbevangen te benaderen. Of was ik wat naïef en te beschermend?

 

Iedereen lijkt anti-manager vreemd dat er nog steeds zo veel zijn

 

‘Volgens mij  zijn managers gewoon collega’s met een andere functieomschrijving,’ zei ik, ‘we werken allemaal samen aan hetzelfde doel, de veiligheid van vrouwen.’ Met deze formulering had ik zelf in het management kunnen gaan. Haar reactie bevreemdde mij. In plaats van mijn stelling te bevestigen, trok zij sceptisch een wenkbrauw op en sneed een ander onderwerp aan. Ze begon over ‘productdenken’ in de hulpverlening. ‘De Vrouwenhulpverlening heeft hier nog een slag te maken,’ zei ze. Op dit moment kreeg ik waarschijnlijk het eerste signaal dat wij totaal verschillend tegen de zaken aankeken.

Wordt vervolgd

 

 

Blog aflevering XIII: In het begin was het een puinhoop

 

 

Blogtekst over de achtergrond van mijn roman ‘Een veilige plek’.

Deel XIII: In het begin was het een puinhoop

Poten in de modder

Als maatschappelijk werker Begeleid Wonen in de Vrouwenopvang moest ik vooral ‘materiële’ hulp geven: voorrang aanvragen op de woningmarkt, op zoek gaan naar een advocaat, opvoedingsondersteuning en schuldhulpverlening regelen enzovoorts. Gelukkig ben ik geboren in de handen-uit-de-mouwenstad Rotterdam. Werken met de poten in de modder was voor mij geen probleem. Ik combineerde mijn vermogen om te luisteren met het opstellen van werkplannen. Eén probleem tegelijk bij de staart pakken, dat werkte het best.

Ik was trots op mezelf omdat ik via een lange omweg toch een baan had gevonden met enige verantwoordelijkheid en een redelijk salaris. Met 28 uur werken verdiende ik ongeveer 1700 euro in de maand.  Wij werkten samen met de politie, onder andere met de buurtregisseur. Dat was de nieuwe naam voor het ouderwetse begrip ‘wijkagent’. Ik hoorde dat politiemensen nog een stuk minder verdienden dan maatschappelijk werkers. Daar schrok ik van, want dienders stonden nog veel dieper met hun poten in de modder dan wij.

Aanhoudend gebel

Het pand én het team van Begeleid Wonen waren helemaal nieuw. Er moest nog het één en ander uitkristalliseren. Dat is managementtaal voor: het was een puinhoop. Er was nog geen receptionist. Ook was er geen hallofoon geïnstalleerd. Als er iemand aanbelde schelde dat door het hele gebouw. Niemand voelde zich geroepen om de deur open te maken, en de aanhoudende beller won. Onnodige stress bovenop het pittige werk. Uiteindelijk werd er opengedaan door degene die het dichtst bij de voordeur was. Dan stond daar iemand met een lastige vraag of met een pakje waarvoor getekend moest worden door een bewoonster. Vaste werkplekken hadden we niet, want het ‘flexen’ was net ingevoerd. Bureaus en computers moesten gedeeld worden, dus als je vergat uit te loggen kreeg je ruzie met de collega die na je kwam. Irritaties bovenop de dagelijkse stress.

IJkprofielen

Verder stelden de wet en de zorgverzekeraars steeds strengere eisen aan de hulpverlening. Formeel moesten de vrouwen gelabeld worden met psychiatrische problematiek om de hulp vergoed te krijgen. Een leugenachtige formaliteit, want mishandeld worden heeft niets met psychiatrische problemen te maken. Slechts een gedeelte van de bewoonsters in de Vrouwenopvang had óók psychiatrische problemen.

 

Mishandeld worden is geen psychiatrisch probleem

Een leugenachtig label

 

Er werden ijkprofielen opgesteld, bedoeld als hulpmiddel bij de indicatiestelling. Excuses voor het vreselijke jargon. Ik zie de mappen met ijkprofielen nóg voor me. Ze stonden bovenop de dossierkast. Persoonlijk heb ik die mappen nooit aangeraakt. Iedere cliënt, pardon ieder mens is uniek. Niemand past in een standaardprofiel. ‘Het is maar een hulpmiddel’ hoor ik de leidinggevende nog zeggen. Een nutteloos hulpmiddel.

IJkprofielen, gestandaardiseerde dossiers met keurmerk – na een uitgebreide audit – het was allemaal bedoeld om de schijn van kwaliteit op te houden, voor buitenwereld en subsidiegevers. Het had niets met de inhoudelijke kwaliteit van ons werk te maken. Ik spreek in de verleden tijd omdat ik al weer tien jaar weg ben uit de hulpverlening.

Wordt vervolgd

 

 

 

Blog aflevering XII: Maatschappelijk werker Begeleid Wonen

 

Blogtekst over de achtergrond van mijn roman ‘Een veilige plek’

Deel XII: Maatschappelijk werker Begeleid Wonen

Begeleid Wonen

Toen ik weer wat bijgekomen was van de ‘foute man’ heb ik nog een tijdje op de Telefonische Afdeling gewerkt. Die afdeling was inmiddels wel aan verandering toe. Het aantal hulpgesprekken nam af en er werden steeds meer intakes voor de vrouwenopvang gedaan. Ook face-to-face, om vrouwen die een plek in Blijf zochten goed te kunnen inschatten. Intussen had ik het werk aan de telefoon wel gezien en kwam het patiencen mij de neus uit. Bij een reorganisatie verhuisden sommige afdelingen naar andere panden in de stad. Er werd een nieuwe afdeling Begeleid Wonen geopend. Omdat ik nu enige jaren ervaring had als telefonisch hulpverleenster, mocht ik mezelf maatschappelijk werker noemen en kon ik solliciteren naar een baan bij Begeleid Wonen.

Overgekwalificeerd

Mijn loopbaan was sowieso een aaneenschakeling van banen waarvoor ik niet het precieze papiertje had. Meestal had ik genoeg aan mijn werkervaring en het feit dat ik overgekwalificeerd was. Weten jullie nog: ‘Psychologie, je kunt er meer mee dan je denkt'(Blog aflevering X)?

 

Poster uit 1982, met dank aan mijn studiegenote Barbara Zynda

 

 

Leergierigheid en een soepele geest hielpen mij om me nieuwe functies snel eigen te maken. Zo ontwikkel ik me nog steeds op verschillende terreinen, in plaats van me in één specialisme te verdiepen.

Ik kreeg de baan en werd maatschappelijk werkster met ‘eigen’ cliënten. Vrouwen die waren gevlucht uit geweldsituaties en na enkele weken crisisopvang doorgestroomd naar Begeleid Wonen. Ik ging hen begeleiden bij het opnieuw op gang brengen van hun leven, met of zonder kinderen, schulden, verslaving, psychiatrische of verblijfsproblematiek. Nog meer kreeg ik het gevoel een serieuze baan te hebben op min of meer mijn eigen niveau.

Wordt vervolgd

 

 

Blog aflevering XI: Onzichtbare gevangenis

 

Blogtekst over de achtergrond van mijn roman ‘Een veilige plek’

Aflevering XI: Onzichtbare gevangenis

Negatieve reacties op mijn werk als docente gynaecologisch onderzoek (zie vorige post) waren een domper op mijn enthousiasme. Ik was ervan overtuigd dat ik een steentje bijdroeg aan een betere houding van artsen ten opzichte van vrouwelijke patiënten. Soms ging ik er de discussie over aan: ‘Vind jij het niet prettig om als mens te worden behandeld in plaats van als een stuk onderlichaam?’ Dat wel ja. Er zijn weinig vrouwen die neutraal staan tegenover zo’n onderzoek. En er zijn heel weinig vrouwen die zichzelf beschikbaar stellen voor het oefenen ervan, dus enig onbegrip is wel begrijpelijk. Later beschreef ik het werk aan derden in meer neutrale termen, als instructie-onderwijs of sociale vaardigheidstraining, wat het feitelijk ook was. Er werd zelden doorgevraagd.

Mijn ‘foute’ vriend had er problemen mee dat ik het werk deed. Beschouwde hij mijn collega’s in de vrouwenopvang als mannenhaters, van medisch studenten had hij een totaal vertekend beeld. Dat waren in zijn ogen allemaal corpsballen die geil werden van het onderzoek. In die tijd was al meer dan de helft van de geneeskundestudenten vrouwelijk. In de voorgesprekken werden mogelijke seksuele gevoelens besproken. Mochten seksuele gedachten of gevoelens al aan de orde zijn – wat zelden het geval was – dan was de beste reactie om die te erkennen en te ‘parkeren’ zoals wij dat noemden. Op dit terrein heb ik in al die veertien jaren nooit problemen ondervonden. Studenten waren eerder nerveus, of bang om mij of mijn collega pijn te doen.

Verstandsverbijstering

Maar ik praatte mijn vriend het vooroordeel niet uit het hoofd. Hij zette mij onder druk om met dat werk te stoppen. Met veel verdriet heb ik dat toen gedaan. Ik was niet tegen de druk bestand. Mijn collega’s begrepen niet dat ik me door hem tot deze keuze liet dwingen. Ik was een intelligente, geëmancipeerde vrouw. Toch vond ik het soms moeilijk om voor mezelf op te komen. In een vlaag van verliefdheid – achteraf noem ik het verstandsverbijstering – had ik heel wat schepen achter me verbrand om bij die man te gaan wonen.

Het was een periode waarin ik de keiharde les leerde nooit meer een man te vertrouwen die me op een voetstuk zet. Hij begon me al gauw te kneden en kleineren. Hij zag mij niet echt, maar zijn ideaalbeeld van een vrouw. Dat beeld bleek niet te kloppen met de werkelijkheid. Hij raakte gefrustreerd, wat zich uitte in verbale agressie, dwingelandij en kleineringen. Pas na enige tijd kwam ik erachter dat hij een drankprobleem had, waardoor hij nog gemener werd. Soms kreeg hij spijt en beloofde in tranen me nooit meer pijn te doen en te stoppen met drinken. Dan ging het weer een poosje goed. Helaas kwamen het drinken en zijn gemene gedrag terug. Door de toenemende spanningen bij ons allebei, volgden de conflicten elkaar steeds sneller op. Ik zat een half jaar lang in een schoolvoorbeeld van de geweldsspiraal. Alleen fysieke klappen bleven gelukkig uit.

Mijn ongezonde relatie en mijn emanciperende werk als docente en hulpverleenster stonden dus haaks op elkaar. Dat wrong zo erg, dat ik overspannen werd. Ik had het gevoel dat ik in een onzichtbare gevangenis zat. Het was een collega DGO die me daarop wees. Pas toen zij mij een schuilplek aanbood begreep ik het én ik kon eraan ontsnappen. Het kostte me zeker een jaar om van deze ervaring te herstellen. In dat jaar pakte ik verbroken vriendschappen op, begon weer les te geven aan geneeskundestudenten en regelde mijn overplaatsing naar de telefonische afdeling van de vrouwenopvang.

Wordt vervolgd

 

Blog aflevering X: Gadverdamme!

 

Blogtekst over de achtergrond van mijn roman ‘Een veilige plek’

Aflevering X: Gadverdamme!

Ik heb altijd verschillende werkzaamheden gecombineerd. Dan had ik maar één vak moeten leren. In 1982, toen ik aan de studie Psychologie begon, hingen er posters in de stad: ‘Psychologie, je kunt er meer mee dan je denkt.’ Eronder stond een groot aantal beroepen opgesomd, zoals barkeeper, escortdame, kapper en taxichauffeur. De werkgelegenheid voor psychologen had een dieptepunt bereikt. Lang verhaal kort: ik kan veel, heb brede interesses en maak overal het beste van. Het doet soms pijn om onder mijn niveau te werken, maar afwisseling vormt ook een uitdaging.

Ellen Laan

Ik studeerde psychologie aan de UVA in dezelfde periode als seksuologe Ellen Laan

 

Veertien jaar lang ben ik freelance DGO (docente gynaecologisch onderzoek) geweest aan twee academische ziekenhuizen en een opleiding tot verloskundige. Een groot deel van die veertien jaar viel samen met mijn werk in de vrouwenopvang. Wat hield dat werk in? Na een intensieve interne scholing brachten wij DGO’s het inwendig onderzoek bij aan geneeskundestudenten en leerlingvroedvrouwen. Het ging om technische instructies, maar vooral ook om het bijbrengen van de juiste houding ten opzichte van vrouwelijke patiënten.

Veilige sfeer

Wanneer ik het zo omschrijf klinkt het tamelijk abstract en onschuldig. De reacties varieerden van neutraal tot glazig. Aan mensen die doorvroegen legde ik uit dat we in tweetallen les gaven aan groepjes van drie studenten. De les begon met een voorgesprek ter kennismaking én om allerlei emotionele kanten van het onderzoek door te nemen. Emotionele kanten voor de patiënt, maar ook voor de aankomend arts. In dit voorgesprek werd doorgaans een veilige sfeer geschapen en kregen wij docenten een beeld van de houding van de studenten. Binnen de geneeskundefaculteit werd dit ‘attitude-onderwijs’ genoemd.

 

Rik van Lunsen, bedenker van het vak docente gynaecologisch onderzoek

Rik van Lunsen is een van de ontwerpers van het DGO-onderwijs

Die veilige sfeer was vooral belangrijk voor het volgende deel van de les: de praktijk. Eén van ons docenten deed het onderzoek voor bij de andere. Wij gaven ons letterlijk bloot. Het onderzoek bestond uit een uitwendige inspectie van de schaamlippen en andere geslachtsdelen, met twee vingers voelen naar de baarmoedermond en het bekijken ervan met behulp van een speculum. Meestal ging mijn uitleg aan buitenstaanders niet verder dan dit. Vaak had de gesprekspartner allang ‘Gadverdamme!’ of iets dergelijks geroepen. Ik, met mijn idealisme en enthousiasme, vond dat wel jammer en hield me later wat meer op de vlakte.

Uitstekende feedback

Het praktijkgedeelte van zo’n les ging nog verder. De studenten mochten het onderzoek bij ons oefenen. Onze motivatie om dit onderwijs te geven was bijna altijd het verbeteren van de kwaliteit van het onderzoek en van de veiligheid voor vrouwelijke patiënten. Ik was er niet op voorbereid hoe blij de studenten waren dat ze het onderzoek een keer bij echte, gezonde vrouwen mochten oefenen. Vrouwen die nog uitstekende feedback gaven bovendien. Wij hadden er geen moeite mee om bij onhandigheid of mogelijke pijn de student even te laten stoppen en aanwijzingen te geven om het beter te doen. Een fantoom, een leren namaakonderlijf, geeft geen feedback en een echte patiënt is tijdens het onderzoek wel met iets anders bezig.

Alles bij elkaar was het prachtig onderwijs om te geven. Ik wilde altijd werk dat ‘ergens over ging’ en een steentje bijdragen aan een menselijke behandeling, in dit geval tijdens medische onderzoeken. De leerlingverloskundigen waren soms pas 17 of 18 jaar oud en behoorlijk nerveus om voor het eerst zo’n onderzoek te doen. De opluchting na hun vuurdoop was te snijden.

Afwijzende reacties

Een vroegere collega bij het Meldpunt Vrouwenopvang zei soms: ‘Mijn werk in de vrouwenopvang is geen populair onderwerp op verjaardagsfeestjes.’ Mensen horen niet graag over ellende vertellen en kunnen zich al helemaal niet voorstellen dat het begeleiden van slachtoffers mooi werk is . Dat gold ook voor mijn werk als DGO. Ik had geen zin om iedere keer afwijzende reacties te krijgen. In het begin legde ik nog weleens uit wat er zo mooi en ‘dankbaar’ aan het werk was. Soms kwam er dan wel begrip, of zelfs enige bewondering. Maar bijna altijd een ‘jij liever dan ik’. Bij de foute man ging de afkeuring veel verder.

Wordt vervolgd

 

Blog aflevering IX: Scheldkanonnade

 

Blogtekst over de achtergrond van mijn roman ‘Een veilige plek’.

Aflevering IX: Scheldkanonnade

In de wijk met de onwetende huisarts was ik aan het bijkomen van de relatie met de kleinerende, drankzuchtige man. Nu bedenk ik dat die huisarts het probleem ontkende uit zelfbescherming. Dat komt vaker voor. We willen het niet weten. Als we toch over huiselijk geweld horen, denken we stiekem dat het slachtoffer het er wel naar gemaakt zal hebben. Dit mechanisme heet blaming the victim. Het kan volgens de hypothese van de rechtvaardige wereld* niet kloppen dat slechte dingen gebeuren met onschuldige mensen. Dit is de bron van veel schuldgevoel en schaamte bij slachtoffers. En van onbegrip in de omgeving.

Dat bijkomen heeft lang geduurd. Nieuwjaarsdag 1998 vertrok ik van mijn schuiladres met een emmer muurverf, verfrollers en een stok. Na het witten van plafond en muren van mijn nieuwe flat zat ik op de betonnen vloer met een matras en een draagbare radio te wachten op vloerbedekking en gordijnen. Daarna maakte ik met mijn vader en mijn potigste broer een rit naar het huis van mijn ex om de belangrijkste spullen op te halen. Het zou kunnen dat daar op zolder nog dozen met serviesgoed van mij staan. Ik ging hem verder uit de weg. Nee, ik ben niet geslagen, maar er zijn veel manieren waarop iemand zijn partner kan kwetsen.

Ooit ben ik verlaten door een bange man. Lang heb ik toen gefantaseerd dat hij smekend bij me terug zou komen met een bos rode rozen. Dat gebeurde niet. De foute man deed het wel. Hij belde aan bij de nieuwe flat. Hoe was hij aan het adres gekomen? De Postbank had een bevestiging van mijn adreswijziging gestuurd, naar mijn oude adres. Het zijne dus.

Hij belde aan en ik drukte op het knopje van de hallofoon. Van beneden kwam zijn stem: ‘Is Wilma van den Akker daar?’ Geschrokken belde ik een vriendin.

‘Bel de politie!’ was haar eerste advies. Dat ging me te ver.

‘Dan kom je naar mij toe, je loopt straal langs hem heen en je scheldt hem helemaal verrot.’

Dat kon ik eigenlijk ook niet, maar ik deed het wel. Voor het eerst van mijn leven ben ik zo openlijk boos en agressief geweest. Ik kreeg bijna medelijden met hem.

‘Sodemieter op, ik wil je nooit meer zien. Je gaat steeds over mijn grenzen.’

‘Ik ga niet over je grenzen, ik hou van je!’

‘Ik bepaal zelf wel wanneer je over mijn grenzen gaat. Laat me met rust!’

 

Een scheldkanonnade kan nut hebben

Achteraf gezien was mijn scheldkanonnade nog vrij beschaafd, maar het was een overwinning, het sterkste dat ik in tijden had gedaan. Behalve bij hem weggaan dan. Ik stevende langs hem heen naar het metrostation, hij bleef verslagen achter met zijn bos rozen. Bij de vriendin kwam ik op verhaal. Ze was trots op me. En hij had de boodschap begrepen gelukkig. Ik zag hem niet meer terug.

 

  • De hypothese van de rechtvaardige wereld komt uit de sociale psychologie. Ik stip hem hierboven kort aan. Hier staat een wat uitvoeriger beschrijving.

 

Blog aflevering VIII: Eén tik en ik ben weg

 

Blogtekst over de achtergrond van mijn roman ‘Een veilige plek’

Aflevering VIII: Eén tik en ik ben weg

Niet alle vrouwen die vluchten voor huiselijk geweld, komen in de opvang terecht. Als vrouwen een eigen veilig netwerk hebben, hoeven zij geen beroep te doen op een Blijf-van-m’n-Lijfhuis. Er zijn culturen en milieus waarin vrouwen die scheiden worden uitgestoten, zodat ze daarmee meteen hun familie en netwerk vaarwel moeten zeggen. Zij krijgen de schuld van de scheiding, niet de gewelddadige partner. Dit kan een reden zijn om het langer vol te houden. Maar het betekent ook dat vrouwen uit deze groepen vaker in Blijf terechtkomen.

Er zijn ook Nederlandse vrouwen die nergens terecht kunnen om vergelijkbare redenen. Mishandelende partners zijn er vaak goed in om hun vrouw of vriendin van haar netwerk te isoleren. Ze maken ruzie met haar vrienden of verbieden de vrouw om met hen om te gaan. Op die manier maken ze hen afhankelijker. Om deze redenen verblijven er vaker vrouwen van niet-Nederlandse afkomst in Blijfhuizen, en vrouwen uit lagere sociale milieus. Ik heb moeite met zulke termen, maar ze zijn gangbaar en iedereen begrijpt wat ermee wordt bedoeld. In milieus van hoger opgeleiden is de schaamte en de neiging om mishandeling toe te dekken nog groter dan in dat van laag opgeleiden.

‘Dat komt bij ons niet voor’

Ik was erg verbaasd toen ik een vroegere huisarts (v!) hoorde zeggen: ‘In onze wijk komt huiselijk geweld niet zo voor.’ Het was een wat duurdere, ‘witte’ wijk. ‘Je hebt het mis,’ dacht ik. En ik was daar nota bene komen wonen na een relatie met een drankzuchtige, verbaal agressieve man. Ik kon daar juist makkelijker een woning vinden omdat het vrije-sectorhuur was. Op de verdieping boven mij hoorde ik regelmatig een stel vechten en schreeuwen. Toen ik de vrouw hoorde gillen heb ik de politie gebeld. De man, een illegale onderhuurder werd door de politie afgevoerd met handboeien om. Deze huisarts was duidelijk niet op de hoogte van wat er in haar wijk speelde.

Eenvoudige weergave van de cirkel van geweld

 

Gangbare reacties zijn overal: ‘Dat laat je toch niet gebeuren?’ En: ‘Eén tik en ik zou weg zijn.’ Maar zo eenvoudig ligt dat niet. Er is altijd een band ontstaan, en zo’n band verbreek je niet gauw. Vaak zijn er ook kinderen, ook een reden om het langer te blijven proberen. Als de man ook een kind gaat mishandelen, is dat vaak de druppel die de emmer doet overlopen. Het in veiligheid brengen van kinderen is een sterke motivatie om te vluchten, sterker nog dan zichzelf in veiligheid brengen.

Wordt vervolgd