Blog Archives

Gedicht ‘Ze leven nog’


Ze leven nog


Tijdens ‘Herinnering Verlicht‘ op de Nieuwe Oosterbegraafplaats heb ik als Witte Dichter dit gedicht ‘Ze leven nog’ tientallen keren voorgelezen en weggegeven. Mensen werden er stil van en raakten ontroerd. Ook had ik mooie gesprekjes met allerlei onbekenden over ouders en over dementie. Onder andere met twee vrouwen die in een verzorgingshuis werken. Met liefde, voegden ze toe.


‘Ze leven nog’, het gedicht dat ik speciaal voor deze avond schreef

Mijn ouders in het verzorgingshuis

Ook was het heel aangenaam om samen te zijn met andere Witte Dichters, een gelegenheidsformatie voor deze speciale avond over rouw en verwerken. Af en toe deed ik een duo-optreden met een andere Witte Dichter, onder andere met Gerard Beentjes, Ineke Holzhaus, Frans Terken en Dien L. de Boer. Het was de geweldige Jos van Hest die ons bij elkaar heeft gebracht. Ik heb ze niet allemaal op een rijtje, de namen, maar we hebben nog lang nagepraat.


Schrijven met bijzondere groepen


Schrijven met bijzondere groepen

Als Mevrouw Schrijftaal geef ik graag workshops aan kinderen en volwassenen. Na afloop van een poëzieworkshop in een bibliotheek werd me gevraagd een soortgelijke workshop te geven in de ambulante psychiatrie. Ik deed het met veel plezier en de deelnemers genoten van deze mogelijkheid om zich te uiten. ‘Waarom doen we dit niet vaker?’ hoorde ik zeggen. Ik werd teruggevraagd, later ook op andere locaties. Deelnemers, begeleiders en ikzelf verlieten steeds positief geladen de workshops. Deelnemers met een compleet gedicht, stof tot nadenken of ruw materiaal om mee verder te werken; begeleiders vanwege een totaal andere manier van ‘werken’ met cliënten en ik als docent met de verzekering dat ik op het gebied van schrijven met bijzondere groepen echt iets te bieden heb.

Mijn ervaring en vaardigheden

In deze tekst wil ik toelichten wát ik dan zoal te bieden heb, en waarom het een goed idee is om binnen de psychiatrie of in andere kwetsbare groepen zulke creatieve mogelijkheden te bieden.

  • Sinds 2010 heb ik als schrijfdocent al veel cursisten en dichters begeleid. Ik geef inzicht in de verschillende fasen van het schrijfproces en beschik over voorbeelden, oefeningen en gereedschap om tot mooie gedichten en andere teksten te komen.
  • Ik ben iemand die verschrikkelijk graag mensen aanmoedigt om iets te leren en om iets te creëren. Terwijl ze oefenen om hun onzekerheden en ‘kritische ik’ uit te schakelen, laten ze hun eigen ‘stem’ vrij in de teksten die ze schrijven.
  • Ik heb een veilige uitstraling. Voor mij persoonlijk is veiligheid een belangrijk gegeven en door langdurige ervaring in de hulpverlening weet ik hoe belangrijk een veilige omgeving is voor cliënten. Lees ook de blogteksten over 13 jaar werken in de vrouwenopvang. Daarnaast heb ik ervaring met taallessen en voorlichting over gezond leven aan nieuwkomers, vaak vluchtelingen.
  • Ik schrik niet van problemen. Dat heeft met bovenstaande ervaring te maken. Het betekent ook dat ik geleerd heb om niet op alle prikkels en signalen in te gaan, zeker niet als die niet met de inhoud van de workshop te maken hebben.
  • Doordat ik veel met groepen heb gewerkt, ben ik goed in het bewaken van de tijd en het proces in de groep.

Dit is het moment om te benadrukken dat ik geen therapie geef, maar workshops en cursussen waarin mensen zich door middel van de taal kunnen uitdrukken. Waarbij ik ervan overtuigd ben – ook door eigen ervaring – dat creatief schrijven een heilzame werking heeft. Elders op deze website ga ik wat dieper in op dit heilzame of therapeutische effect.


Zichzelf verrassen

Bij creatief schrijven verrassen mensen zichzelf vaak met wat er – als vanzelf – uit hun pen komt. ‘Ik wist niet dat ik het in me had’, hoor ik vaak tijdens mijn lessen en workshops. Met de juiste thema’s en aanmoediging worden gedachten en herinneringen aangeboord waarvan de schrijvers zich niet of nauwelijks bewust waren. Er komen woorden en zinnen naar boven die beeldend en krachtig zijn. Zelfs een nare herinnering kan mooie teksten opleveren.

Een voorbeeld dat me bij is gebleven: naar aanleiding van het thema ‘Vrijheid’ gebruikte één deelnemer in haar gedicht het woord ‘vrijgevochten’ en een andere kwam met ‘onbevochten’. beide woorden waren raak gekozen, hoe tegenstrijdig ook. Het luisteren naar zulke taaluitingen levert interessante nabesprekingen en feedback op.

Verwerken op twee manieren

Gaat het in de workshops dan altijd om verwerken? Nee en ja. Zoals ik hierboven schets, is het schrijven van een gedicht of andere korte tekst een plezierige en verrassende gebeurtenis op zichzelf. Voor de workshops kies ik geen zware of beladen thema’s, maar onderwerpen waarmee de deelnemers veel ruimte hebben voor een eigen invulling, zoals het genoemde ‘vrijheid’, ‘ontmoeting’ of ‘herinneringen’. Ik neem altijd concrete voorwerpen mee voor een zintuiglijke ervaring als prikkel. Denk hierbij aan alle zintuigen, dus niet alleen kijken en luisteren, maar ook geur, smaak en tastzin.

Een ‘bijproduct’ van schrijven kan emotionele verwerking zijn. Ik zie die verwerking op twee manieren:

  1. verwerken ván: vat krijgen op, woorden geven aan (negatieve) emoties, die daardoor beter hanteerbaar worden
  2. verwerken tót: uit de op gang gebrachte woordenstroom de krachtige woorden, beelden en zinnen halen om er een interessante, rakende tekst mee te maken. De kunst is om deze emoties (positief én negatief) niet te benoemen, maar door de taaluiting, klanken, beeldspraak, concrete details óp te roepen.

Voorbeeldgedicht workshop met als thema Vrijheid

Er zijn ook onderwerpen die deelnemers aanmoedigen om met elkaar in gesprek te gaan. Zo gaf ik bij Platform-C in Amstelveen een schrijfworkshop met als onderwerp ‘ontmoeting’. Naast geschreven portretten leverden de opdrachten interessante gespreksstof op. Deelnemers gingen volop in dialoog de deur uit.

Workshops op maat aan speciale doelgroepen

Net als bij de deelnemers aan de workshops, smaakt het bij mij naar meer. Ik zou graag vaker maatwerk leveren. Ben je werkzaam in de psychiatrie, hulpverlening of met andere bijzondere of kwetsbare groepen en geïnteresseerd in een poëzieworkshop, of een andere schrijfworkshop op maat? Neem dan contact op via schrijftaal@ziggo.nl of bel 06 – 4630 7175 voor meer informatie. Er is veel mogelijk, we kunnen de workshop afstemmen op jouw wensen en die van de groep. Denk hierbij aan een passend onderwerp, maar ook aan het niveau van taalvaardigheid.


Obstakel, deel II

Het vervolg op deel I

II

Ik kan eroverheen, ik weet het zeker. Voor me in de rij staan nog vier meisjes in witte T-shirts en blauwe flanellen broekjes. Eén voor één nemen ze een aanloop en springen met gemak over de bok. Meester pakt elk meisje even vast. Eén hand op de rechterarm, de andere op de rug. ‘En de volgende!’ roept hij. Het ziet er zo makkelijk uit. Lichte meisjes vliegen over het toestel, geholpen door een houten springplank en een duwtje van de gymleraar. Ik kan dat ook, dat weet ik zeker.

Ik neem een aanloop, vol gas richting springplank, bok en de handen van de meester. Rennen kan ik als de beste. Meestal ren ik weg, maar nu ren ik ergens heen. Het ziet er goed uit, een meisje van elf dat als een getraind paard richting hindernis draaft. Het is mijn beurt. Ik ruik het leer en de geur van zweethanden. Ongeveer dertig centimeter voor het leren toestel met vierkante houten poten stop ik, abrupt. Mijn vooruitgestoken armen landen niet bovenop maar tegen de voorkant van het leer, mijn handen plat als een schild voor mijn borst. Ik bots met mijn volle gewicht tegen het toestel. Het wankelt even, de meester houdt het tegen. Dan maakt hij met een lollig gezicht zijn beweging af, alsof hij een onzichtbaar meisje over de bok helpt. Zijn smalle puntige neus is een scherp potlood dat een wijde boog tekent, naar het plafond en weer terug. Gegrinnik in de groep.

Het is niet de eerste keer dat dit gebeurt. Ik ben geen weigerend paard, wíl er echt overheen en ben er tot op het laatste moment van overtuigd dat ik eroverheen ga, maar dan.. bam. Geblokkeerd.

‘Als je er dan echt niet overheen gaat, dan ga je er maar onder zitten’, zegt de gymleraar. ‘Houd de poten vast terwijl de anderen eroverheen springen’. Weigeren komt niet in me op. Ik ga zitten in een tentje met een lederen dak en houten stokken. Ik zie de benen van de meester in de blauwe trainingsbroek met witte zijstrepen. ‘Volgende!’ roept hij. Ik hoor ze één voor één naar me toe rennen met hun blote voeten op het bruine linoleum. Ik voel de grond trillen en hoor ze afzetten op de springplank. Ze springen allemaal over mij heen. Ik zie de blote benen in blauwe gymbroeken boven me en voel het gymtoestel wankelen. Ik houd de poten stevig vast, dat is mijn taak. ‘Goed zo!’ en ‘Prima!’ zegt hij tegen mijn klasgenoten.


Obstakel, deel I

Obstakel

I

Ze kan er niet langs. Ze is nooit sportief geweest, maar haar benen doen het goed en ze houdt van doorlopen. In de natuur slentert ze en neemt  de tijd om bloemen en insecten te bekijken. Het is weleens voorgekomen dat een berggids haar niet wilde meenemen op een tocht omdat ze de groep zou ophouden. Ze heeft haar jankend toegeschreeuwd: ‘Ik ben hier niet op trainingskamp maar op wandelvakantie. Verzin iets anders!’ Een ander groepslid zei: ‘Wat kan jij goed voor jezelf opkomen!’ Dat is ook voor het eerst.

Als ze een doel heeft, loopt ze sneller. Van meelopers krijgt ze vaak de vraag of het wat langzamer mag. Nu loopt ze op een smalle strook tussen geparkeerde auto’s en een gracht. Voor haar loopt een man met een rollator. Hij maakt een extreem trage slingerbeweging, van links naar rechts en weer terug. Ze komt er maar niet langs. Een oefening in geduld, de man kan er ook niets aan doen. De oude handen van de man knijpen krampachtig in de handvatten van het blauwe looprek. Dat zijn de remmen, knuppel, denkt ze. Het schiet maar niet op.

Ze bewaart haar geduld met moeite en gaat rechts van hem lopen, op het randje van de kade. ‘Meneer, u knijpt in de remmen, zo komt u niet vooruit.’ Hij kijkt haar wezenloos aan. Midden op het haarloze hoofd staat een scherpe neus, die als een potlood vooruitsteekt. Haar beweging stokt even, dan wil ze omkeren en weglopen, weg van deze man. Hij sukkelt verder in zijn gestremde tempo.

Diep ademhalen en een aanloop nemen. Met een paar snelle passen komt ze deze keer links van hem. Ze geeft hem een harde zet richting gracht. Zijn mond valt open, hij knijpt nog harder in de handremmen en hij en zijn looprek kantelen samen als een in het water gekieperd winkelwagentje. Ze klopt zichzelf op de schouders. ‘Goed zo! Prachtig!’ zegt ze, tevreden.


Wordt hier vervolgd

‘Natúúrlijk is het therapeutisch!’

‘Natúúrlijk is het therapeutisch’


Ik ben ervan overtuigd dat (creatief) schrijven een positief effect heeft op de stemming en de mentale gezondheid. Uit eigen ervaring en die van anderen weet ik dat schrijven als vorm van expressie helpt bij het verwerken van vervelende ervaringen. Het creëren op zich, of het nu schrijven, schilderen of beeldhouwen is, is een proces dat veel voldoening geeft. Een product of eindresultaat kan een trots of blij gevoel geven. Daar is een klein wonder gebeurd. Maar het heilzame effect gaat verder dan dat. Je zou dat effect ook therapeutisch kunnen noemen. In de wereld van schrijvers stuit dat nogal eens op weerstand.

Geheimpje

Na een lange periode gewerkt te hebben in de hulpverlening én na een vervelende ziekte begon ik voor mezelf als schrijfdocent. Ik wilde meer weten over dat therapeutische effect van schrijven. Ook was me opgevallen dat er schrijvers zijn die dit effect zó hard ontkennen, dat het verdacht wordt. Daarom  heb ik hierover een vraag gesteld aan Pat Schneider, een doorgewinterd schrijfdocent, oprichter van een schrijfschool en auteur van onder andere het handboek ‘Writing alone and with others’.

‘Kan schrijven therapeutisch zijn?’ vroeg ik haar. Het antwoord: ‘Natúúrlijk is het therapeutisch, maar dat zeggen we niet, anders zijn we de helft van onze klanten kwijt’. Een fijn antwoord, een fijn ‘geheimpje’.


De bronafbeelding bekijken
Pat Schneider, oerschrijfdocent en auteur van ‘Writing alone and with others’

Literatuur en wetenschap

Ook in de literatuur vond ik bevestiging voor het feit dat schrijven heilzaam is en goed voor de mentale gezondheid. Lees bijvoorbeeld dit artikel uit Psychology Today.

James W. Pennebaker, pionier op het gebied van schrijftherapie

De neurowetenschappelijke basis voor het therapeutische effect van schrijven als expressie komt er kortgezegd op neer: door het schrijven over vervelende of schokkende ervaringen is het mogelijk meer grip te krijgen op de emoties die bij zulke ervaringen horen. Er worden andere gebieden in de hersenen geactiveerd.

Amygdala

Emotionele herinneringen worden in de amandelkern (amygdala) in het brein opgeslagen. Bij het schrijven gebruik je onder andere de prefrontale cortex, het deel van de hersenen dat bij rationeel denken en het oplossen van ingewikkelde problemen wordt gebruikt. Tijdens het schrijven over deze traumatische en andere heftige herinneringen verschuift de hersenactiviteit min of meer naar ‘rationelere’ gebieden. Er is dus een neuropsychologische basis voor het verwerken van heftige emoties door te schrijven!

Er is meer onderzoek gedaan, dat deze bevindingen bevestigt. Ik vermeld hier nog twee bronnen: Een overzicht van wetenschappelijke onderzoeken naar de gezondheidseffecten van schrijven. En een artikel uit ons eigen taalgebied.

In therapie bij traumaverwerking worden, naast EMDR en andere technieken ook met succes schrijfopdrachten gebruikt om de overweldigende emoties de baas te worden.

Blij worden

Ik vind het belangrijk te zeggen dat ik in mijn workshops geen therapie geef. Toch is het waardevol deze kennis in het achterhoofd te hebben bij het lesgeven aan mensen in kwetsbare groepen, zoals de ambulante psychiatrie. Uit ervaring weet ik dat veel mensen erg blij worden van het uitvoeren van creatieve schrijfopdrachten. Ze smaken naar meer. In een volgend stuk zal ik hier dieper op ingaan.


Blog aflevering XIV: Het échte werk en de leidinggevende

 

Blogtekst over de achtergrond van mijn roman ‘Een veilige plek’.

Deel XIV: Het échte werk en de leidinggevende

Het werk op zichzelf ging me goed af. Hoe ingewikkeld het soms ook was, ik kon échte cliënten en hun kinderen op gang helpen. Vrouwen met allerlei achtergronden en culturen die maar één ding gemeen hadden: ze waren gevlucht uit een gewelddadige relatie en probeerden een nieuwe start te maken. Er waren trauma’s te verwerken en praktische zaken te regelen.

De vrouwen kregen een vaste maatschappelijk werker en elke wooneenheid had een vaste groepswerker. Afhankelijk van de gezinsgrootte woonden er drie tot vijf vrouwen in een eenheid. Iedereen kreeg een kamer voor zichzelf en haar eventuele kinderen. Keuken, wasruimte en sanitair werden gedeeld. Hier ontstonden gelijksoortige conflicten als in relaties: over de afwas en over haren in doucheputjes. Verschillen in gewoontes en culturele achtergrond zorgden ook voor misverstanden. Me van geen kwaad bewust stapte ik een keer over een boodschappentas heen, die een trap blokkeerde. De eigenaresse van de boodschappen raakte helemaal in paniek omdat de boodschappen nu onrein waren. Tenminste, dat had gekund, als ik ongesteld was geweest. Zo is het ook verboden om over een op de grond liggend kind te stappen. Dat is ongeveer even riskant als in onze cultuur onder een ladder door lopen.

Leidinggevende

De nieuwe team manager was opgeduikeld in het netwerk van een andere leidinggevende. Mijn eerste indruk bij de kennismaking was: een levendige vrouw met kort grijs haar, heldere blauwe ogen en een klaterende lach. Ze had geen ervaring in de Vrouwenopvang, wel in de zorg voor gehandicapten. Zij praatte graag over zichzelf en leek zich kwetsbaar op te stellen door te vertellen over de strijd die ze voerde met haar lastige puberdochter.

Ik kende de organisatie al acht jaar en kon haar er dus veel over vertellen. Omdat ik had gemerkt dat veel collega’s met weerzin spraken over ‘die managers’, alsof het om een andere diersoort ging, nam ik me voor haar onbevangen te benaderen. Of was ik wat naïef en te beschermend?

 

Iedereen lijkt anti-manager vreemd dat er nog steeds zo veel zijn

 

‘Volgens mij  zijn managers gewoon collega’s met een andere functieomschrijving,’ zei ik, ‘we werken allemaal samen aan hetzelfde doel, de veiligheid van vrouwen.’ Met deze formulering had ik zelf in het management kunnen gaan. Haar reactie bevreemdde mij. In plaats van mijn stelling te bevestigen, trok zij sceptisch een wenkbrauw op en sneed een ander onderwerp aan. Ze begon over ‘productdenken’ in de hulpverlening. ‘De Vrouwenhulpverlening heeft hier nog een slag te maken,’ zei ze. Op dit moment kreeg ik waarschijnlijk het eerste signaal dat wij totaal verschillend tegen de zaken aankeken.

Wordt vervolgd

 

 

Blog aflevering XIII: In het begin was het een puinhoop

 

 

Blogtekst over de achtergrond van mijn roman ‘Een veilige plek’.

Deel XIII: In het begin was het een puinhoop

Poten in de modder

Als maatschappelijk werker Begeleid Wonen in de Vrouwenopvang moest ik vooral ‘materiële’ hulp geven: voorrang aanvragen op de woningmarkt, op zoek gaan naar een advocaat, opvoedingsondersteuning en schuldhulpverlening regelen enzovoorts. Gelukkig ben ik geboren in de handen-uit-de-mouwenstad Rotterdam. Werken met de poten in de modder was voor mij geen probleem. Ik combineerde mijn vermogen om te luisteren met het opstellen van werkplannen. Eén probleem tegelijk bij de staart pakken, dat werkte het best.

Ik was trots op mezelf omdat ik via een lange omweg toch een baan had gevonden met enige verantwoordelijkheid en een redelijk salaris. Met 28 uur werken verdiende ik ongeveer 1700 euro in de maand.  Wij werkten samen met de politie, onder andere met de buurtregisseur. Dat was de nieuwe naam voor het ouderwetse begrip ‘wijkagent’. Ik hoorde dat politiemensen nog een stuk minder verdienden dan maatschappelijk werkers. Daar schrok ik van, want dienders stonden nog veel dieper met hun poten in de modder dan wij.

Aanhoudend gebel

Het pand én het team van Begeleid Wonen waren helemaal nieuw. Er moest nog het één en ander uitkristalliseren. Dat is managementtaal voor: het was een puinhoop. Er was nog geen receptionist. Ook was er geen hallofoon geïnstalleerd. Als er iemand aanbelde schelde dat door het hele gebouw. Niemand voelde zich geroepen om de deur open te maken, en de aanhoudende beller won. Onnodige stress bovenop het pittige werk. Uiteindelijk werd er opengedaan door degene die het dichtst bij de voordeur was. Dan stond daar iemand met een lastige vraag of met een pakje waarvoor getekend moest worden door een bewoonster. Vaste werkplekken hadden we niet, want het ‘flexen’ was net ingevoerd. Bureaus en computers moesten gedeeld worden, dus als je vergat uit te loggen kreeg je ruzie met de collega die na je kwam. Irritaties bovenop de dagelijkse stress.

IJkprofielen

Verder stelden de wet en de zorgverzekeraars steeds strengere eisen aan de hulpverlening. Formeel moesten de vrouwen gelabeld worden met psychiatrische problematiek om de hulp vergoed te krijgen. Een leugenachtige formaliteit, want mishandeld worden heeft niets met psychiatrische problemen te maken. Slechts een gedeelte van de bewoonsters in de Vrouwenopvang had óók psychiatrische problemen.

 

Mishandeld worden is geen psychiatrisch probleem

Een leugenachtig label

 

Er werden ijkprofielen opgesteld, bedoeld als hulpmiddel bij de indicatiestelling. Excuses voor het vreselijke jargon. Ik zie de mappen met ijkprofielen nóg voor me. Ze stonden bovenop de dossierkast. Persoonlijk heb ik die mappen nooit aangeraakt. Iedere cliënt, pardon ieder mens is uniek. Niemand past in een standaardprofiel. ‘Het is maar een hulpmiddel’ hoor ik de leidinggevende nog zeggen. Een nutteloos hulpmiddel.

IJkprofielen, gestandaardiseerde dossiers met keurmerk – na een uitgebreide audit – het was allemaal bedoeld om de schijn van kwaliteit op te houden, voor buitenwereld en subsidiegevers. Het had niets met de inhoudelijke kwaliteit van ons werk te maken. Ik spreek in de verleden tijd omdat ik al weer tien jaar weg ben uit de hulpverlening.

Wordt vervolgd

 

 

 

Blog aflevering XII: Maatschappelijk werker Begeleid Wonen

 

Blogtekst over de achtergrond van mijn roman ‘Een veilige plek’

Deel XII: Maatschappelijk werker Begeleid Wonen

Begeleid Wonen

Toen ik weer wat bijgekomen was van de ‘foute man’ heb ik nog een tijdje op de Telefonische Afdeling gewerkt. Die afdeling was inmiddels wel aan verandering toe. Het aantal hulpgesprekken nam af en er werden steeds meer intakes voor de vrouwenopvang gedaan. Ook face-to-face, om vrouwen die een plek in Blijf zochten goed te kunnen inschatten. Intussen had ik het werk aan de telefoon wel gezien en kwam het patiencen mij de neus uit. Bij een reorganisatie verhuisden sommige afdelingen naar andere panden in de stad. Er werd een nieuwe afdeling Begeleid Wonen geopend. Omdat ik nu enige jaren ervaring had als telefonisch hulpverleenster, mocht ik mezelf maatschappelijk werker noemen en kon ik solliciteren naar een baan bij Begeleid Wonen.

Overgekwalificeerd

Mijn loopbaan was sowieso een aaneenschakeling van banen waarvoor ik niet het precieze papiertje had. Meestal had ik genoeg aan mijn werkervaring en het feit dat ik overgekwalificeerd was. Weten jullie nog: ‘Psychologie, je kunt er meer mee dan je denkt'(Blog aflevering X)?

 

Poster uit 1982, met dank aan mijn studiegenote Barbara Zynda

 

 

Leergierigheid en een soepele geest hielpen mij om me nieuwe functies snel eigen te maken. Zo ontwikkel ik me nog steeds op verschillende terreinen, in plaats van me in één specialisme te verdiepen.

Ik kreeg de baan en werd maatschappelijk werkster met ‘eigen’ cliënten. Vrouwen die waren gevlucht uit geweldsituaties en na enkele weken crisisopvang doorgestroomd naar Begeleid Wonen. Ik ging hen begeleiden bij het opnieuw op gang brengen van hun leven, met of zonder kinderen, schulden, verslaving, psychiatrische of verblijfsproblematiek. Nog meer kreeg ik het gevoel een serieuze baan te hebben op min of meer mijn eigen niveau.

Wordt vervolgd

 

 

Blog aflevering XI: Onzichtbare gevangenis

 

Blogtekst over de achtergrond van mijn roman ‘Een veilige plek’

Aflevering XI: Onzichtbare gevangenis

Negatieve reacties op mijn werk als docente gynaecologisch onderzoek (zie vorige post) waren een domper op mijn enthousiasme. Ik was ervan overtuigd dat ik een steentje bijdroeg aan een betere houding van artsen ten opzichte van vrouwelijke patiënten. Soms ging ik er de discussie over aan: ‘Vind jij het niet prettig om als mens te worden behandeld in plaats van als een stuk onderlichaam?’ Dat wel ja. Er zijn weinig vrouwen die neutraal staan tegenover zo’n onderzoek. En er zijn heel weinig vrouwen die zichzelf beschikbaar stellen voor het oefenen ervan, dus enig onbegrip is wel begrijpelijk. Later beschreef ik het werk aan derden in meer neutrale termen, als instructie-onderwijs of sociale vaardigheidstraining, wat het feitelijk ook was. Er werd zelden doorgevraagd.

Mijn ‘foute’ vriend had er problemen mee dat ik het werk deed. Beschouwde hij mijn collega’s in de vrouwenopvang als mannenhaters, van medisch studenten had hij een totaal vertekend beeld. Dat waren in zijn ogen allemaal corpsballen die geil werden van het onderzoek. In die tijd was al meer dan de helft van de geneeskundestudenten vrouwelijk. In de voorgesprekken werden mogelijke seksuele gevoelens besproken. Mochten seksuele gedachten of gevoelens al aan de orde zijn – wat zelden het geval was – dan was de beste reactie om die te erkennen en te ‘parkeren’ zoals wij dat noemden. Op dit terrein heb ik in al die veertien jaren nooit problemen ondervonden. Studenten waren eerder nerveus, of bang om mij of mijn collega pijn te doen.

Verstandsverbijstering

Maar ik praatte mijn vriend het vooroordeel niet uit het hoofd. Hij zette mij onder druk om met dat werk te stoppen. Met veel verdriet heb ik dat toen gedaan. Ik was niet tegen de druk bestand. Mijn collega’s begrepen niet dat ik me door hem tot deze keuze liet dwingen. Ik was een intelligente, geëmancipeerde vrouw. Toch vond ik het soms moeilijk om voor mezelf op te komen. In een vlaag van verliefdheid – achteraf noem ik het verstandsverbijstering – had ik heel wat schepen achter me verbrand om bij die man te gaan wonen.

Het was een periode waarin ik de keiharde les leerde nooit meer een man te vertrouwen die me op een voetstuk zet. Hij begon me al gauw te kneden en kleineren. Hij zag mij niet echt, maar zijn ideaalbeeld van een vrouw. Dat beeld bleek niet te kloppen met de werkelijkheid. Hij raakte gefrustreerd, wat zich uitte in verbale agressie, dwingelandij en kleineringen. Pas na enige tijd kwam ik erachter dat hij een drankprobleem had, waardoor hij nog gemener werd. Soms kreeg hij spijt en beloofde in tranen me nooit meer pijn te doen en te stoppen met drinken. Dan ging het weer een poosje goed. Helaas kwamen het drinken en zijn gemene gedrag terug. Door de toenemende spanningen bij ons allebei, volgden de conflicten elkaar steeds sneller op. Ik zat een half jaar lang in een schoolvoorbeeld van de geweldsspiraal. Alleen fysieke klappen bleven gelukkig uit.

Mijn ongezonde relatie en mijn emanciperende werk als docente en hulpverleenster stonden dus haaks op elkaar. Dat wrong zo erg, dat ik overspannen werd. Ik had het gevoel dat ik in een onzichtbare gevangenis zat. Het was een collega DGO die me daarop wees. Pas toen zij mij een schuilplek aanbood begreep ik het én ik kon eraan ontsnappen. Het kostte me zeker een jaar om van deze ervaring te herstellen. In dat jaar pakte ik verbroken vriendschappen op, begon weer les te geven aan geneeskundestudenten en regelde mijn overplaatsing naar de telefonische afdeling van de vrouwenopvang.

Wordt vervolgd

 

Blog aflevering X: Gadverdamme!

 

Blogtekst over de achtergrond van mijn roman ‘Een veilige plek’

Aflevering X: Gadverdamme!

Ik heb altijd verschillende werkzaamheden gecombineerd. Dan had ik maar één vak moeten leren. In 1982, toen ik aan de studie Psychologie begon, hingen er posters in de stad: ‘Psychologie, je kunt er meer mee dan je denkt.’ Eronder stond een groot aantal beroepen opgesomd, zoals barkeeper, escortdame, kapper en taxichauffeur. De werkgelegenheid voor psychologen had een dieptepunt bereikt. Lang verhaal kort: ik kan veel, heb brede interesses en maak overal het beste van. Het doet soms pijn om onder mijn niveau te werken, maar afwisseling vormt ook een uitdaging.

Ellen Laan

Ik studeerde psychologie aan de UVA in dezelfde periode als seksuologe Ellen Laan

 

Veertien jaar lang ben ik freelance DGO (docente gynaecologisch onderzoek) geweest aan twee academische ziekenhuizen en een opleiding tot verloskundige. Een groot deel van die veertien jaar viel samen met mijn werk in de vrouwenopvang. Wat hield dat werk in? Na een intensieve interne scholing brachten wij DGO’s het inwendig onderzoek bij aan geneeskundestudenten en leerlingvroedvrouwen. Het ging om technische instructies, maar vooral ook om het bijbrengen van de juiste houding ten opzichte van vrouwelijke patiënten.

Veilige sfeer

Wanneer ik het zo omschrijf klinkt het tamelijk abstract en onschuldig. De reacties varieerden van neutraal tot glazig. Aan mensen die doorvroegen legde ik uit dat we in tweetallen les gaven aan groepjes van drie studenten. De les begon met een voorgesprek ter kennismaking én om allerlei emotionele kanten van het onderzoek door te nemen. Emotionele kanten voor de patiënt, maar ook voor de aankomend arts. In dit voorgesprek werd doorgaans een veilige sfeer geschapen en kregen wij docenten een beeld van de houding van de studenten. Binnen de geneeskundefaculteit werd dit ‘attitude-onderwijs’ genoemd.

 

Rik van Lunsen, bedenker van het vak docente gynaecologisch onderzoek

Rik van Lunsen is een van de ontwerpers van het DGO-onderwijs

Die veilige sfeer was vooral belangrijk voor het volgende deel van de les: de praktijk. Eén van ons docenten deed het onderzoek voor bij de andere. Wij gaven ons letterlijk bloot. Het onderzoek bestond uit een uitwendige inspectie van de schaamlippen en andere geslachtsdelen, met twee vingers voelen naar de baarmoedermond en het bekijken ervan met behulp van een speculum. Meestal ging mijn uitleg aan buitenstaanders niet verder dan dit. Vaak had de gesprekspartner allang ‘Gadverdamme!’ of iets dergelijks geroepen. Ik, met mijn idealisme en enthousiasme, vond dat wel jammer en hield me later wat meer op de vlakte.

Uitstekende feedback

Het praktijkgedeelte van zo’n les ging nog verder. De studenten mochten het onderzoek bij ons oefenen. Onze motivatie om dit onderwijs te geven was bijna altijd het verbeteren van de kwaliteit van het onderzoek en van de veiligheid voor vrouwelijke patiënten. Ik was er niet op voorbereid hoe blij de studenten waren dat ze het onderzoek een keer bij echte, gezonde vrouwen mochten oefenen. Vrouwen die nog uitstekende feedback gaven bovendien. Wij hadden er geen moeite mee om bij onhandigheid of mogelijke pijn de student even te laten stoppen en aanwijzingen te geven om het beter te doen. Een fantoom, een leren namaakonderlijf, geeft geen feedback en een echte patiënt is tijdens het onderzoek wel met iets anders bezig.

Alles bij elkaar was het prachtig onderwijs om te geven. Ik wilde altijd werk dat ‘ergens over ging’ en een steentje bijdragen aan een menselijke behandeling, in dit geval tijdens medische onderzoeken. De leerlingverloskundigen waren soms pas 17 of 18 jaar oud en behoorlijk nerveus om voor het eerst zo’n onderzoek te doen. De opluchting na hun vuurdoop was te snijden.

Afwijzende reacties

Een vroegere collega bij het Meldpunt Vrouwenopvang zei soms: ‘Mijn werk in de vrouwenopvang is geen populair onderwerp op verjaardagsfeestjes.’ Mensen horen niet graag over ellende vertellen en kunnen zich al helemaal niet voorstellen dat het begeleiden van slachtoffers mooi werk is . Dat gold ook voor mijn werk als DGO. Ik had geen zin om iedere keer afwijzende reacties te krijgen. In het begin legde ik nog weleens uit wat er zo mooi en ‘dankbaar’ aan het werk was. Soms kwam er dan wel begrip, of zelfs enige bewondering. Maar bijna altijd een ‘jij liever dan ik’. Bij de foute man ging de afkeuring veel verder.

Wordt vervolgd