Blog Archives

Gedicht ‘Ze leven nog’


Ze leven nog


Tijdens ‘Herinnering Verlicht‘ op de Nieuwe Oosterbegraafplaats heb ik als Witte Dichter dit gedicht ‘Ze leven nog’ tientallen keren voorgelezen en weggegeven. Mensen werden er stil van en raakten ontroerd. Ook had ik mooie gesprekjes met allerlei onbekenden over ouders en over dementie. Onder andere met twee vrouwen die in een verzorgingshuis werken. Met liefde, voegden ze toe.


‘Ze leven nog’, het gedicht dat ik speciaal voor deze avond schreef

Mijn ouders in het verzorgingshuis

Ook was het heel aangenaam om samen te zijn met andere Witte Dichters, een gelegenheidsformatie voor deze speciale avond over rouw en verwerken. Af en toe deed ik een duo-optreden met een andere Witte Dichter, onder andere met Gerard Beentjes, Ineke Holzhaus, Frans Terken en Dien L. de Boer. Het was de geweldige Jos van Hest die ons bij elkaar heeft gebracht. Ik heb ze niet allemaal op een rijtje, de namen, maar we hebben nog lang nagepraat.


De facebookpagina van Mevrouw SchrijfTaal


Mevrouw SchrijfTaal heeft sinds kort een facebookpagina waarop ze informatie post over schrijfcursussen, workshops en andere schrijfactiviteiten. Het is fijn als je deze pagina en berichten het duimpje geeft. Dat kan als je op deze link klikt.

Ik neem hier een korte tekst over die ik daar plaatste na een bezoek aan mijn ouders.

Mijn vader is voor het grootste deel van de tijd in zijn eigen hoofd verdwenen. Hij fleurt alleen even op als ik hem wat foto’s laat zien van de kamelentocht die ik afgelopen kerst gemaakt heb. En als ik hem een knuffel geef. Verder valt er niets meer te zeggen. Mijn moeder zegt dezelfde dingen die ze al vele malen door de telefoon heeft gezegd. Ik bedwing de neiging om in mijn smartphone te vluchten en maak foto’s. Er moet iets zijn waar ik blij van word. De glimmende roestvrij stalen theepot, de lieve oude poes.

‘Ze worden gemiddeld elf tot dertien jaar, deze katten. Het is een Britse korthaar. Ze is al zestien, dus … Ik hoop elke dag dat ze vredig inslaapt, maar ik kan haar nog niet missen. Het is mijn kind.’
‘Ik ben je kind.’
‘Wat zal ik haar missen als ze er niet meer is. Het is mijn kind.’
‘Dat zal verdrietig zijn, ja,’ antwoord ik voor de honderdste keer.

Ik ga naar huis met in mijn tas drie onderlakens, een pepermolen, twee mandarijnen, een banaan en geld voor de trein. Voor de duizendste maal prent ik mezelf in dat liefde bij ons thuis altijd in materiële zaken wordt uitgedrukt.