De plaat poetsen – column

 

De plaat poetsen

Ik werk aan een roman, al jaren. De wereld is daarvan op de hoogte, dat helpt. Als de wereld weer eens informeert hoe het met de roman gaat, geef ik een omschrijving van het punt in het trage proces waarop ik op dat moment ben. ‘Ik heb nu drie delen en ik twijfel nog over een vierde deel, een epiloog. Of ik werk er nog een verhaallijn doorheen.’ Opdat ze mij geloven. Dat ik echt aan een roman werk.
‘Heb je al een uitgever?’ vragen ze soms.
‘Nee, die stap heb ik nog niet durven zetten. Ik wil eerst een complete versie hebben.’

De zomer is gereserveerd voor het werk aan dit boek. Dat wil niet zeggen, dat ik vanaf vakantiedag één braaf aan mijn bureau zit om pagina’s toe te voegen. Eerst poets ik de plaat. Ik ruim opgehoopte lesmaterialen op, bevrijd het huis van kattenharen en miljoenen van de miljarden huishoudbacteriën, plant bietjes in de tuin, wandel en maak foto’s van licht op water. Mijn excuus: ‘Ik schrijf met licht.’

In mijn tweede jaar op de kunstacademie leerde ik bij grafische technieken de letterlijk ‘de plaat te poetsen’. Als voorbereiding op het echte etsen in een koperen plaat moesten we deze eerst schuren, polijsten en met brasso poetsen tot die op een spiegeltje leek. Daar kon ik uren mee bezig zijn, in gedachten fantaserend over de prachtige ets die er uiteindelijk van zou komen. We werden hierbij geholpen door een werkplaatsassistent, want de grafiekdocent was ‘m gesmeerd. Die hield zich liever bezig met zijn collectie mooie artistieke meisjes. Omdat mijn etsen en het onderwijs tegenvielen, ben ik in dat tweede jaar van de academie vertrokken.

‘Doe eens wat nuttigs’

Aan die tijd heb ik wel een gedeeltelijk ontwikkeld kunstenaarsoog overgehouden. Als dochter van een metaalbewerker waardeer ik het ambachtelijke deel van grafisch werk. Er is ook een arbeiderskinderstemmetje dat altijd zeurt: ‘Doe eens wat nuttigs!’ Later heb ik als loonslaaf in de Welzijn geleerd dat je productie moet leveren, meetbaar in minuten en in uitgestroomde cliënten.

Nu er geen manager meer in mijn nek hijgt, bestraf ik mezelf aan het begin van een schrijfperiode. Dan moet ik eerst afscheid nemen van lessen voorbereiden, groepen en klasjes, van schrijven in opdracht en van de boekhouding. En ik moet de strenge interne criticus paaien. Het is wél nuttig wat ik doe, het is voorbereiding, omschakelen van de lesgeef- naar de schrijfmodus. Ik moet mezelf steeds opnieuw toestaan om langzamer te leven, uit te slapen – een doodzonde! – doelloos te kuieren en de omgeving met mijn half ontwikkelde kunstenaarsoog waar te nemen. Om een uur naast een sloot te staan voor een impressionistische foto van een waterhoentje. Om teksten te schrijven die niet in het boek passen, stomweg omdat ze in me komen opborrelen. Het is allemaal voorbereiding op dat andere, echte werk.

De komende dagen ruim ik mijn huisje verder op, behandel de poezen tegen vlooien en teken, sproei nog een keer de tuin, stop onder- en bovengoed in fietstassen en leg de laptop erboven op. Dan poets ik de plaat, naar een schrijfhuis, waar ik echt aan dat vierde deel van die roman ga werken, of aan die extra verhaallijn.


Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *