Blog Archives

Blog aflevering XII: Maatschappelijk werker Begeleid Wonen

 

Blogtekst over de achtergrond van mijn roman ‘Een veilige plek’

Deel XII: Maatschappelijk werker Begeleid Wonen

Begeleid Wonen

Toen ik weer wat bijgekomen was van de ‘foute man’ heb ik nog een tijdje op de Telefonische Afdeling gewerkt. Die afdeling was inmiddels wel aan verandering toe. Het aantal hulpgesprekken nam af en er werden steeds meer intakes voor de vrouwenopvang gedaan. Ook face-to-face, om vrouwen die een plek in Blijf zochten goed te kunnen inschatten. Intussen had ik het werk aan de telefoon wel gezien en kwam het patiencen mij de neus uit. Bij een reorganisatie verhuisden sommige afdelingen naar andere panden in de stad. Er werd een nieuwe afdeling Begeleid Wonen geopend. Omdat ik nu enige jaren ervaring had als telefonisch hulpverleenster, mocht ik mezelf maatschappelijk werker noemen en kon ik solliciteren naar een baan bij Begeleid Wonen.

Overgekwalificeerd

Mijn loopbaan was sowieso een aaneenschakeling van banen waarvoor ik niet het precieze papiertje had. Meestal had ik genoeg aan mijn werkervaring en het feit dat ik overgekwalificeerd was. Weten jullie nog: ‘Psychologie, je kunt er meer mee dan je denkt'(Blog aflevering X)?

 

Poster uit 1982, met dank aan mijn studiegenote Barbara Zynda

 

 

Leergierigheid en een soepele geest hielpen mij om me nieuwe functies snel eigen te maken. Zo ontwikkel ik me nog steeds op verschillende terreinen, in plaats van me in één specialisme te verdiepen.

Ik kreeg de baan en werd maatschappelijk werkster met ‘eigen’ cliënten. Vrouwen die waren gevlucht uit geweldsituaties en na enkele weken crisisopvang doorgestroomd naar Begeleid Wonen. Ik ging hen begeleiden bij het opnieuw op gang brengen van hun leven, met of zonder kinderen, schulden, verslaving, psychiatrische of verblijfsproblematiek. Nog meer kreeg ik het gevoel een serieuze baan te hebben op min of meer mijn eigen niveau.

Wordt vervolgd

 

 

Blog aflevering XI: Onzichtbare gevangenis

 

Blogtekst over de achtergrond van mijn roman ‘Een veilige plek’

Aflevering XI: Onzichtbare gevangenis

Negatieve reacties op mijn werk als docente gynaecologisch onderzoek (zie vorige post) waren een domper op mijn enthousiasme. Ik was ervan overtuigd dat ik een steentje bijdroeg aan een betere houding van artsen ten opzichte van vrouwelijke patiënten. Soms ging ik er de discussie over aan: ‘Vind jij het niet prettig om als mens te worden behandeld in plaats van als een stuk onderlichaam?’ Dat wel ja. Er zijn weinig vrouwen die neutraal staan tegenover zo’n onderzoek. En er zijn heel weinig vrouwen die zichzelf beschikbaar stellen voor het oefenen ervan, dus enig onbegrip is wel begrijpelijk. Later beschreef ik het werk aan derden in meer neutrale termen, als instructie-onderwijs of sociale vaardigheidstraining, wat het feitelijk ook was. Er werd zelden doorgevraagd.

Mijn ‘foute’ vriend had er problemen mee dat ik het werk deed. Beschouwde hij mijn collega’s in de vrouwenopvang als mannenhaters, van medisch studenten had hij een totaal vertekend beeld. Dat waren in zijn ogen allemaal corpsballen die geil werden van het onderzoek. In die tijd was al meer dan de helft van de geneeskundestudenten vrouwelijk. In de voorgesprekken werden mogelijke seksuele gevoelens besproken. Mochten seksuele gedachten of gevoelens al aan de orde zijn – wat zelden het geval was – dan was de beste reactie om die te erkennen en te ‘parkeren’ zoals wij dat noemden. Op dit terrein heb ik in al die veertien jaren nooit problemen ondervonden. Studenten waren eerder nerveus, of bang om mij of mijn collega pijn te doen.

Verstandsverbijstering

Maar ik praatte mijn vriend het vooroordeel niet uit het hoofd. Hij zette mij onder druk om met dat werk te stoppen. Met veel verdriet heb ik dat toen gedaan. Ik was niet tegen de druk bestand. Mijn collega’s begrepen niet dat ik me door hem tot deze keuze liet dwingen. Ik was een intelligente, geëmancipeerde vrouw. Toch vond ik het soms moeilijk om voor mezelf op te komen. In een vlaag van verliefdheid – achteraf noem ik het verstandsverbijstering – had ik heel wat schepen achter me verbrand om bij die man te gaan wonen.

Het was een periode waarin ik de keiharde les leerde nooit meer een man te vertrouwen die me op een voetstuk zet. Hij begon me al gauw te kneden en kleineren. Hij zag mij niet echt, maar zijn ideaalbeeld van een vrouw. Dat beeld bleek niet te kloppen met de werkelijkheid. Hij raakte gefrustreerd, wat zich uitte in verbale agressie, dwingelandij en kleineringen. Pas na enige tijd kwam ik erachter dat hij een drankprobleem had, waardoor hij nog gemener werd. Soms kreeg hij spijt en beloofde in tranen me nooit meer pijn te doen en te stoppen met drinken. Dan ging het weer een poosje goed. Helaas kwamen het drinken en zijn gemene gedrag terug. Door de toenemende spanningen bij ons allebei, volgden de conflicten elkaar steeds sneller op. Ik zat een half jaar lang in een schoolvoorbeeld van de geweldsspiraal. Alleen fysieke klappen bleven gelukkig uit.

Mijn ongezonde relatie en mijn emanciperende werk als docente en hulpverleenster stonden dus haaks op elkaar. Dat wrong zo erg, dat ik overspannen werd. Ik had het gevoel dat ik in een onzichtbare gevangenis zat. Het was een collega DGO die me daarop wees. Pas toen zij mij een schuilplek aanbood begreep ik het én ik kon eraan ontsnappen. Het kostte me zeker een jaar om van deze ervaring te herstellen. In dat jaar pakte ik verbroken vriendschappen op, begon weer les te geven aan geneeskundestudenten en regelde mijn overplaatsing naar de telefonische afdeling van de vrouwenopvang.

Wordt vervolgd

 

Blog aflevering X: Gadverdamme!

 

Blogtekst over de achtergrond van mijn roman ‘Een veilige plek’

Aflevering X: Gadverdamme!

Ik heb altijd verschillende werkzaamheden gecombineerd. Dan had ik maar één vak moeten leren. In 1982, toen ik aan de studie Psychologie begon, hingen er posters in de stad: ‘Psychologie, je kunt er meer mee dan je denkt.’ Eronder stond een groot aantal beroepen opgesomd, zoals barkeeper, escortdame, kapper en taxichauffeur. De werkgelegenheid voor psychologen had een dieptepunt bereikt. Lang verhaal kort: ik kan veel, heb brede interesses en maak overal het beste van. Het doet soms pijn om onder mijn niveau te werken, maar afwisseling vormt ook een uitdaging.

Ellen Laan

Ik studeerde psychologie aan de UVA in dezelfde periode als seksuologe Ellen Laan

 

Veertien jaar lang ben ik freelance DGO (docente gynaecologisch onderzoek) geweest aan twee academische ziekenhuizen en een opleiding tot verloskundige. Een groot deel van die veertien jaar viel samen met mijn werk in de vrouwenopvang. Wat hield dat werk in? Na een intensieve interne scholing brachten wij DGO’s het inwendig onderzoek bij aan geneeskundestudenten en leerlingvroedvrouwen. Het ging om technische instructies, maar vooral ook om het bijbrengen van de juiste houding ten opzichte van vrouwelijke patiënten.

Veilige sfeer

Wanneer ik het zo omschrijf klinkt het tamelijk abstract en onschuldig. De reacties varieerden van neutraal tot glazig. Aan mensen die doorvroegen legde ik uit dat we in tweetallen les gaven aan groepjes van drie studenten. De les begon met een voorgesprek ter kennismaking én om allerlei emotionele kanten van het onderzoek door te nemen. Emotionele kanten voor de patiënt, maar ook voor de aankomend arts. In dit voorgesprek werd doorgaans een veilige sfeer geschapen en kregen wij docenten een beeld van de houding van de studenten. Binnen de geneeskundefaculteit werd dit ‘attitude-onderwijs’ genoemd.

 

Rik van Lunsen, bedenker van het vak docente gynaecologisch onderzoek

Rik van Lunsen is een van de ontwerpers van het DGO-onderwijs

Die veilige sfeer was vooral belangrijk voor het volgende deel van de les: de praktijk. Eén van ons docenten deed het onderzoek voor bij de andere. Wij gaven ons letterlijk bloot. Het onderzoek bestond uit een uitwendige inspectie van de schaamlippen en andere geslachtsdelen, met twee vingers voelen naar de baarmoedermond en het bekijken ervan met behulp van een speculum. Meestal ging mijn uitleg aan buitenstaanders niet verder dan dit. Vaak had de gesprekspartner allang ‘Gadverdamme!’ of iets dergelijks geroepen. Ik, met mijn idealisme en enthousiasme, vond dat wel jammer en hield me later wat meer op de vlakte.

Uitstekende feedback

Het praktijkgedeelte van zo’n les ging nog verder. De studenten mochten het onderzoek bij ons oefenen. Onze motivatie om dit onderwijs te geven was bijna altijd het verbeteren van de kwaliteit van het onderzoek en van de veiligheid voor vrouwelijke patiënten. Ik was er niet op voorbereid hoe blij de studenten waren dat ze het onderzoek een keer bij echte, gezonde vrouwen mochten oefenen. Vrouwen die nog uitstekende feedback gaven bovendien. Wij hadden er geen moeite mee om bij onhandigheid of mogelijke pijn de student even te laten stoppen en aanwijzingen te geven om het beter te doen. Een fantoom, een leren namaakonderlijf, geeft geen feedback en een echte patiënt is tijdens het onderzoek wel met iets anders bezig.

Alles bij elkaar was het prachtig onderwijs om te geven. Ik wilde altijd werk dat ‘ergens over ging’ en een steentje bijdragen aan een menselijke behandeling, in dit geval tijdens medische onderzoeken. De leerlingverloskundigen waren soms pas 17 of 18 jaar oud en behoorlijk nerveus om voor het eerst zo’n onderzoek te doen. De opluchting na hun vuurdoop was te snijden.

Afwijzende reacties

Een vroegere collega bij het Meldpunt Vrouwenopvang zei soms: ‘Mijn werk in de vrouwenopvang is geen populair onderwerp op verjaardagsfeestjes.’ Mensen horen niet graag over ellende vertellen en kunnen zich al helemaal niet voorstellen dat het begeleiden van slachtoffers mooi werk is . Dat gold ook voor mijn werk als DGO. Ik had geen zin om iedere keer afwijzende reacties te krijgen. In het begin legde ik nog weleens uit wat er zo mooi en ‘dankbaar’ aan het werk was. Soms kwam er dan wel begrip, of zelfs enige bewondering. Maar bijna altijd een ‘jij liever dan ik’. Bij de foute man ging de afkeuring veel verder.

Wordt vervolgd

 

Blog aflevering IX: Scheldkanonnade

 

Blogtekst over de achtergrond van mijn roman ‘Een veilige plek’.

Aflevering IX: Scheldkanonnade

In de wijk met de onwetende huisarts was ik aan het bijkomen van de relatie met de kleinerende, drankzuchtige man. Nu bedenk ik dat die huisarts het probleem ontkende uit zelfbescherming. Dat komt vaker voor. We willen het niet weten. Als we toch over huiselijk geweld horen, denken we stiekem dat het slachtoffer het er wel naar gemaakt zal hebben. Dit mechanisme heet blaming the victim. Het kan volgens de hypothese van de rechtvaardige wereld* niet kloppen dat slechte dingen gebeuren met onschuldige mensen. Dit is de bron van veel schuldgevoel en schaamte bij slachtoffers. En van onbegrip in de omgeving.

Dat bijkomen heeft lang geduurd. Nieuwjaarsdag 1998 vertrok ik van mijn schuiladres met een emmer muurverf, verfrollers en een stok. Na het witten van plafond en muren van mijn nieuwe flat zat ik op de betonnen vloer met een matras en een draagbare radio te wachten op vloerbedekking en gordijnen. Daarna maakte ik met mijn vader en mijn potigste broer een rit naar het huis van mijn ex om de belangrijkste spullen op te halen. Het zou kunnen dat daar op zolder nog dozen met serviesgoed van mij staan. Ik ging hem verder uit de weg. Nee, ik ben niet geslagen, maar er zijn veel manieren waarop iemand zijn partner kan kwetsen.

Ooit ben ik verlaten door een bange man. Lang heb ik toen gefantaseerd dat hij smekend bij me terug zou komen met een bos rode rozen. Dat gebeurde niet. De foute man deed het wel. Hij belde aan bij de nieuwe flat. Hoe was hij aan het adres gekomen? De Postbank had een bevestiging van mijn adreswijziging gestuurd, naar mijn oude adres. Het zijne dus.

Hij belde aan en ik drukte op het knopje van de hallofoon. Van beneden kwam zijn stem: ‘Is Wilma van den Akker daar?’ Geschrokken belde ik een vriendin.

‘Bel de politie!’ was haar eerste advies. Dat ging me te ver.

‘Dan kom je naar mij toe, je loopt straal langs hem heen en je scheldt hem helemaal verrot.’

Dat kon ik eigenlijk ook niet, maar ik deed het wel. Voor het eerst van mijn leven ben ik zo openlijk boos en agressief geweest. Ik kreeg bijna medelijden met hem.

‘Sodemieter op, ik wil je nooit meer zien. Je gaat steeds over mijn grenzen.’

‘Ik ga niet over je grenzen, ik hou van je!’

‘Ik bepaal zelf wel wanneer je over mijn grenzen gaat. Laat me met rust!’

 

Een scheldkanonnade kan nut hebben

Achteraf gezien was mijn scheldkanonnade nog vrij beschaafd, maar het was een overwinning, het sterkste dat ik in tijden had gedaan. Behalve bij hem weggaan dan. Ik stevende langs hem heen naar het metrostation, hij bleef verslagen achter met zijn bos rozen. Bij de vriendin kwam ik op verhaal. Ze was trots op me. En hij had de boodschap begrepen gelukkig. Ik zag hem niet meer terug.

 

  • De hypothese van de rechtvaardige wereld komt uit de sociale psychologie. Ik stip hem hierboven kort aan. Hier staat een wat uitvoeriger beschrijving.

 

Blog aflevering VIII: Eén tik en ik ben weg

 

Blogtekst over de achtergrond van mijn roman ‘Een veilige plek’

Aflevering VIII: Eén tik en ik ben weg

Niet alle vrouwen die vluchten voor huiselijk geweld, komen in de opvang terecht. Als vrouwen een eigen veilig netwerk hebben, hoeven zij geen beroep te doen op een Blijf-van-m’n-Lijfhuis. Er zijn culturen en milieus waarin vrouwen die scheiden worden uitgestoten, zodat ze daarmee meteen hun familie en netwerk vaarwel moeten zeggen. Zij krijgen de schuld van de scheiding, niet de gewelddadige partner. Dit kan een reden zijn om het langer vol te houden. Maar het betekent ook dat vrouwen uit deze groepen vaker in Blijf terechtkomen.

Er zijn ook Nederlandse vrouwen die nergens terecht kunnen om vergelijkbare redenen. Mishandelende partners zijn er vaak goed in om hun vrouw of vriendin van haar netwerk te isoleren. Ze maken ruzie met haar vrienden of verbieden de vrouw om met hen om te gaan. Op die manier maken ze hen afhankelijker. Om deze redenen verblijven er vaker vrouwen van niet-Nederlandse afkomst in Blijfhuizen, en vrouwen uit lagere sociale milieus. Ik heb moeite met zulke termen, maar ze zijn gangbaar en iedereen begrijpt wat ermee wordt bedoeld. In milieus van hoger opgeleiden is de schaamte en de neiging om mishandeling toe te dekken nog groter dan in dat van laag opgeleiden.

‘Dat komt bij ons niet voor’

Ik was erg verbaasd toen ik een vroegere huisarts (v!) hoorde zeggen: ‘In onze wijk komt huiselijk geweld niet zo voor.’ Het was een wat duurdere, ‘witte’ wijk. ‘Je hebt het mis,’ dacht ik. En ik was daar nota bene komen wonen na een relatie met een drankzuchtige, verbaal agressieve man. Ik kon daar juist makkelijker een woning vinden omdat het vrije-sectorhuur was. Op de verdieping boven mij hoorde ik regelmatig een stel vechten en schreeuwen. Toen ik de vrouw hoorde gillen heb ik de politie gebeld. De man, een illegale onderhuurder werd door de politie afgevoerd met handboeien om. Deze huisarts was duidelijk niet op de hoogte van wat er in haar wijk speelde.

Eenvoudige weergave van de cirkel van geweld

 

Gangbare reacties zijn overal: ‘Dat laat je toch niet gebeuren?’ En: ‘Eén tik en ik zou weg zijn.’ Maar zo eenvoudig ligt dat niet. Er is altijd een band ontstaan, en zo’n band verbreek je niet gauw. Vaak zijn er ook kinderen, ook een reden om het langer te blijven proberen. Als de man ook een kind gaat mishandelen, is dat vaak de druppel die de emmer doet overlopen. Het in veiligheid brengen van kinderen is een sterke motivatie om te vluchten, sterker nog dan zichzelf in veiligheid brengen.

Wordt vervolgd

 

 

Blogtekst deel VII: Meldpunt Vrouwenopvang

 

Blogtekst over de achtergrond van mijn roman ‘Een veilige plek’.

Deel VII: Het Meldpunt Vrouwenopvang

Het was een uiterste maatregel om de stekker eruit te trekken bij belterreur. Ik kon het slecht aan mezelf verkopen dat ik aan het werk was bij een hulplijn terwijl die lijn niet bereikbaar was. Dus al ging de telefoon tijdelijk niet, de stress was er toch. Na een half uur deden we de stekker er weer in, gespannen afwachtend of het dwangmatige gebel ophield of opnieuw begon. Nu, jaren later, ben ik nog steeds geen liefhebber van telefoneren. Het medium is me te dwingend. Ik spreek liever mensen in het echt of communiceer via mails en andere teksten.

Meldpunt

De andere lijn die we bedienden was het Meldpunt Vrouwenopvang. Dit nummer werd gebeld door vrouwen die wilden vluchten voor een geweldadige partner of familielid. Zij zochten een veilige plek in een opvanghuis. Wij konden zien waar er plekken waren, lokaal of in andere regio’s en de vrouwen daarheen verwijzen. Voor locale plekken screenden we de belsters of deden complete telefonische intakes. Het was belangrijk om uit te vissen of het niet om een huisvestingsprobleem ging. Het gerucht ging dat je via een plek in de opvang makkelijk aan een huurwoning kon komen. Dat was helemaal niet zo makkelijk. Toch wilden we voorkomen dat vrouwen onder valse voorwendselen in een Blijfhuis terechtkwamen.

Onze achterdocht op dit gebied varieerde. Sommige collega’s van de hulplijn leefden zich sterk in in iedere belster, andere stelden zich op als detectives om bedrog aan het licht te brengen. Toch hadden we allemaal antennes voor de echte huiselijk-geweldproblemen.

Niet alleen de vrouwen zelf belden. Het waren vaak ook betrokkenen: vrienden of familieleden; hulpverleners, zoals huisartsen; werkgevers of docenten. We werkten goed samen met de politie. Nog steeds herinner ik me een groot aantal namen van politiebureaus. Als ik berichten lees of hoor van politie Gooi- en Vechtstreek moet ik altijd meteen aan huiselijk geweld denken.

Koeien en schapen

Betrokkenen hadden vaak het idee dat ze iemand moesten redden en konden zware druk uitoefenen aan de telefoon. Ze wilden dan niet horen dat er geen plek beschikbaar was, of dat de vrouw naar een andere regio moest uitwijken. Uitwijken naar een kleinere, verder gelegen plaats was vaak veiliger, maar niet iedereen zag er heil in om onze stad te verlaten. Een latere cliënte van me zei: ‘Ik heb een tijdje in Den Helder gezeten, maar ik zag daar alleen maar koeien en schapen.’

Poster van Blijf van m’n lijf – jaren 70

Veiligheid en een nieuw begin waren belangrijk, maar een aantal cliëntes eiste meer dan dat. Nou zit niemand voor zijn lol in de opvang. In de loop van de tijd is het verplicht samenwonen in leefgroepen wel verdwenen. Dit idealistische idee bleek in de praktijk niet te doen vanwege verschillende gewoontes, leefomstandigheden en culturen. Deze verschillen waren helaas bronnen van vele conflicten, waardoor de opvang vaak als een hel werd gezien. ‘Ik krijg er jeuk van,’ zei een belster eens tegen me. De eerste keer nam ik dat letterlijk. Ik dacht dat ze het over vlooien had.

‘Het zijn zeker allemaal buitenlandse vrouwen daar,’ vroegen buitenstaanders me. Ja, er woonden veel vrouwen van buitenlandse afkomst, maar niet alleen die. Daar waren redenen voor.

Wordt vervolgd

 

Blogtekst deel VI: Gekkigheid

 

Blogtekst over de achtergrond van mijn roman ‘Een veilige plek’.

Deel VI

Gekkigheid

Ik ken psychologen die dit verschijnsel (DIS: zie vorige aflevering) afdoen als ‘gekkigheid’. Ik weet het niet. Wat ik leerde, was de persoon aan de telefoon te vragen naar degene (alter) die het overzicht had. Door met deze ‘hoofdalter’ te spreken was het mogelijk om de belster enig inzicht te geven en ‘de boel’ een beetje bij elkaar te houden. Uit de interne scholing herinner ik me een citaat van een DIS-patiënt: ‘Ik ben een groepje mensen.’ Het waren bizarre en fascinerende gesprekken. Wel had ik mijn twijfels of wij deze groep belsters echt verder konden helpen of dat het meer een kwestie was van ‘pappen en nathouden’. Binnen de psychiatrie kan men er niet zoveel mee, heb ik begrepen. Indertijd hoorde ik dat zulke patiënten niet over hun verleden mochten praten, om het deksel op de beerput te houden.

Er waren natuurlijk ook gesprekken over ‘eenvoudiger’ seksueel geweld, zoals aanranding of verkrachting. Ik kwam erachter dat de meeste vormen van seksueel geweld binnen relaties of families plaatsvinden. De griezel die uit de bosjes springt om je te pakken komt relatief veel minder vaak voor. Vrouwen, maar ook mannen en kinderen zijn op straat vaak veiliger dan in hun eigen leefomgeving.

 

 

De telefoontjes bij de Eerste Lijn gingen ook steeds vaker over andere vormen van relationeel geweld, zoals fysieke mishandeling, geestelijk geweld, bedreiging en onderdrukking. Er waren ook avonddiensten waarin er niet of nauwelijks gebeld werd. Eerlijk gezegd heb ik toen heel wat spelletjes patience op de computer gespeeld en episodes van Dalziel en Pascoe gekeken. Een collega had geregeld dat er een televisie op de afdeling stond. Eén aflevering van deze Britse dectectiveserie speelde zich af in Amsterdam. Op het gefilmde politiebureau hing een poster van de vrouwenopvang, een bevreemdend droste-effect.

Belterreur

Een ander bizar verschijnsel was de belterreur: er waren avonden dat er voortdurend werd gebeld en gezwegen, of meteen opgehangen. Dat was zenuwslopend en kon uren achter elkaar doorgaan. In het begin namen we toch steeds op, want er konden ook échte telefoontjes tussen zitten. Nummers waren vaak afgeschermd, dus het verschil tussen die echte hulptelefoontjes en belterreur was onzichtbaar. Uit wanhoop trokken wij soms de stekker eruit. Helaas waren we dan niet bereikbaar voor echte hulpvragen en dat gaf een akelig schuldgevoel. We zaten daar immers om hulp te verlenen. Belterreur vond plaats in vlagen, altijd tijdens avonddiensten. We hielden elkaar op de hoogte via een logboek. Er werd gespeculeerd over wie de terreur pleegde. Sommige collega’s waren ervan overtuigd dat er een ‘DIS-ser’ achterzat. Maar de telefoontjes waren niet te traceren.

Wordt vervolgd

 

Blogtekst deel V: naar de telefonische afdeling

 

Blogtekst over de achtergrond van mijn roman ‘Een veilige plek’.
Deel vijf: naar de telefonische afdeling.

Overspannen 

Privé ging er ook iets mis. Ik werd zelf verliefd op een foute man. Na een korte tijd van ophemelen begon hij me te kleineren, met name als hij had gedronken. Ook gaf hij af op mijn werk in de vrouwenopvang. ‘Allemaal mannenhaters daar,’ waren zijn woorden. Door de moeizame werk- en privé-omstandigheden raakte ik overspannen en kwam enige tijd in de ziektewet. 

De relatie liep stuk. Ik dook letterlijk onder bij vriendinnen, gelukkig hoefde ik geen beroep te doen op de vrouwenopvang.  Het management ging met mij in gesprek over reïntegratie. Ik gaf aan dat ik graag op de telefonische afdeling wilde werken. Tenslotte had ik ervaring opgedaan bij de hulplijn Vrouwen Bellen Vrouwen. Na een gesprek met de leidingevende van die afdeling kreeg ik mijn zin.

De interne training verliep op rolletjes en ik was betaald telefonisch hulpverleenster. Eindelijk had ik weer een baan die in de buurt kwam van mijn niveau van opleiding. Op het gebied van vrouwenonderdrukking was ik nu ervaringsdeskundige. De signalen waren achteraf overduidelijk. Dat zou mij geen tweede keer gebeuren. Ik kon mij beter verplaatsen in de vrouwen die belden en hen op de voortekenen wijzen.

 

Ik glom van trots omdat ik was overgeplaatst naar de telefonische afdeling

 

In die tijd bestond het telefonische werk in de vrouwenopvang uit het bedienen van twee hulplijnen: De Eerste Lijn, waarop vrouwen belden voor hulpgesprekken die meestal gingen over seksueel geweld, én het Meldpunt Vrouwenopvang, waarheen vrouwen of betrokkenen belden die een plek zochten in de opvang. Later kregen wij meer taken, zoals het doen van telefonische en face-to-face intakes voor verschillende opvanghuizen. 

De Eerste Lijn was een aflopende zaak, een erfenis van een fusie uit het verleden. Wel vonden daar de meest interessante gesprekken plaats. En de meest bizarre. Tot de vaste belsters behoorden vrouwen die leden aan de omstreden Dissociatieve Identiteitsstoornis (DIS). Zij konden binnen één gesprek switchen van de ene naar de andere alternatieve persoonlijkheid of ‘alter’. Zo had ik op het ene moment een redelijk klinkende volwassen vrouw aan de telefoon en het andere moment een angstig kind of een venijnig kreng. De stoornis wordt niet door alle deskundigen erkend, maar het overschakelen tussen verschillende alters kwam op mij en mijn collega’s zeer realistisch over.

DIS kan ontstaan na zeer ernstig misbruik, meestal in groepen of zelfs sektes. Als overlevingsstrategie ‘leert’ het slachtoffer, het kind, te dissociëren. Het is een manier om afstand te nemen en min of meer te ontsnappen aan de situatie. Ik moet daarbij denken aan bijna-doodervaringen waarbij mensen van buitenaf naar zichzelf kijken. De alters weten niet van elkaars bestaan af, er zijn blijkbaar barrières tussen de verschillende afsplitsingen. De vrouwen die belden naar de hulplijn, beschreven die episodes als blackouts.

(Wordt vervolgd)

 

Blog aflevering II: Kinderwerk

 

Blogtekst over de achtergrond van mijn roman ‘Een veilige plek’

Deel II: Kinderwerk

Op mijn eerste dag bij Kinderwerk in het opvanghuis werd iedereen, bewoonsters en personeel, onthaald op een uitgebreide Surinaamse maaltijd. De adjunct-directeur vertelde mij dat de maaltijd een afscheidscadeau was van een dankbare cliënte. ‘Dit gebeurt niet elke dag, hoor!’ haastte hij zich het feestje te relativeren. Voor mij paste dit in het plaatje dat ik in mijn hoofd had van een goede sfeer en saamhorigheid.

Bij echt warm weer gebruikten we de brandslang om een badje te vullen op de binnenplaats

Stagiaires en Melkertbanen

Voor mijn komst draaide het Kinderwerk op drie stagiaires. Zij legden mij de gang van zaken uit. Later kwamen er twee vrouwen bij met Melkertbanen. Dat waren door de overheid gesubsidieerde banen, specifiek gecreëerd om werklozen te helpen weer aan de slag te komen. Het was de bedoeling dat wij kinderwerksters de kinderen veiligheid en een leuke tijd bezorgden. In feite waren we kinderopvang en activiteitenbegeleiding.

In de ochtend was er een peutergroep, na schooltijd kwamen de wat oudere kinderen bij ons, kinderen in de basisschoolleeftijd en af en toe een pubermeisje. Jongens van boven de dertien werden niet in de vrouwenopvang toegelaten. We knutselden, speelden en dansten met de kinderen. Met mooi weer gingen we naar een speeltuin in de buurt en af en toe maakten we een speciaal uitstapje naar de kinderboerderij, Artis of de bioscoop.

Uitstapje naar Artis. De kinderen op de foto’s zijn intussen al lang volwassen

Uit een rottige situatie gevlucht

Sommige kleintjes kwamen huilend en krijsend binnen bij Kinderwerk. Wanneer ze zich er eenmaal veilig begonnen te voelen, wilden ze bijna niet meer weg. Andere kinderen kwamen stil en teruggetrokken binnen en hadden na enige tijd het hoogste woord, of bleken onhandelbaar. De meeste kinderen waren heel gewoon, kinderen. Ze waren alleen net uit een rottige situatie gevlucht met hun moeder. En hun moeders waren niet altijd even goed in staat om voor hun kinderen te zorgen. Zij hadden even tijd voor zichzelf wanneer de kinderen bij Kinderwerk waren. Het kwam voor dat vrouwen hun kind door de deuropening duwden en snel wegliepen, het kind huilend achterlatend. Wij kinderwerksters troostten zo’n kind en vertelden dat mama echt wel terugkwam. Die kinderen waren net het contact met hun vader kwijt, en vreesden ook door hun moeder verlaten te worden.

Wordt vervolgd


Blog: Een veilige plek, de achtergrond

 

Blogtekst over de achtergrond van mijn roman ‘Een veilige plek’.

Aflevering I: Het begin

Nu mijn roman ‘Een veilige plek’ is geschreven en de zoektocht naar publicatie begint, wil ik graag wat meer vertellen over de achtergronden van het verhaal. De roman is een verzameling fictieve verhaallijnen, gebaseerd op mijn eigen ervaringen in de vrouwenopvang. Het hoofdpersonage, maatschappelijk werkster Mara Visser, lijkt wel op mij, maar ik ben haar niet. Ook alle beschreven hulpverleners, bewoonsters van de opvang, collega’s en zelfs die grillige en tirannieke leidinggevende, Marie-Louise zoog ik allemaal uit mijn overvolle en pijnlijk kloppende duim. De ervaringen, waardoor ik zo vol en gekwetst raakte, wil ik in de komende tijd beschrijven in een aantal blogteksten. Op dit moment heb ik nog geen idee van het aantal teksten en de chronologie daarbinnen. Ik begin op een vrij willekeurig moment, dat ik toch maar ‘het begin’ zal noemen.

In de roman ‘Een veilige plek’ heb ik de waarheid gelogen over wonen en werken in een Blijf-van-mijn-lijfhuis. De waarheid wilde vreselijk graag verteld worden, het liegen was nodig om enige afstand te nemen en om echte mensen te beschermen.

Het begin

In 1996 was ik werkzoekend en kostwinner. Met losse diensten in de kinderopvang en als groepsleidster bij verschillende jeugdhulpverleningsorganisaties schraapte ik een klein inkomen bij elkaar voor mijzelf en mijn toenmalige vriend die werkloos was en studeerde. Daarnaast volgde ik een parttime opleiding aan de kunstacademie en werkte ik vrijwillig bij de inmiddels opgeheven hulplijn Vrouwen Bellen Vrouwen. Het mag duidelijk zijn dat ik toen, op mijn 36e, nog geen duidelijke richting had gekozen in mijn loopbaan. Het kan ook zijn dat de omstandigheden niet altijd hebben meegeholpen. Daarover vertel ik later misschien meer.

Feminisme

Vrouwen Bellen Vrouwen (VBV) was een feministische hulplijn, gevestigd in een zolderkamer van het Vrouwenhuis in Amsterdam. Omdat ergens bij horen nooit mijn sterkste kant is geweest, dacht ik dat het feminisme misschien iets voor mij was. Ik had er in ieder geval veel over gelezen, in allerlei Amerikaanse pockets uit tweedehands boekwinkels. Mijn collega vrijwilligers bij VBV waren divers: er was een professioneel slachtofferhulpverleenster bij en een vrouw met een dissociatieve identiteitsstoornis (DIS). Het waren allemaal vrouwen die op zoek waren naar zinvolle bezigheden voor een paar uur in de week. We werden geschoold op het gebied van gesprekstechnieken en uiteenlopende hulpvragen.

Ik ontdekte dat ik goed kon luisteren en doorvragen. Problematiek varieerde van eenzaamheid, depressie, tot psychische problemen en huiselijk geweld. Ik leerde de sociale kaart kennen om te kunnen doorverwijzen. Bij het bestuderen van de sociale kaart kwam ik een beschrijving tegen van het Eliashuis en dacht: daar wil ik werken! De precieze beschrijving ben ik vergeten, maar mijn belangstelling werd gewekt door termen als ‘leefgemeenschap’, ‘veiligheid’ en ‘solidariteit’. Het zou kunnen dat ik hiervan een te zonnige voorstelling had na al die feministische lectuur.

Kinderwerkster

Er was een vacature voor kinderwerkster. Als doctorandus in de Ontwikkelingspsychologie en met mijn ervaring in diverse kindergroepen was ik meer dan gekwalificeerd voor de functie. Ik werd aangenomen, eerst tijdelijk, daarna met een vast contract als kinderwerkster met coördinerende taken. ‘Nu hebben we een goeie,’ zei de directeur over mij.

Wordt vervolgd