Blog Archives

De facebookpagina van Mevrouw SchrijfTaal


Mevrouw SchrijfTaal heeft sinds kort een facebookpagina waarop ze informatie post over schrijfcursussen, workshops en andere schrijfactiviteiten. Het is fijn als je deze pagina en berichten het duimpje geeft. Dat kan als je op deze link klikt.

Ik neem hier een korte tekst over die ik daar plaatste na een bezoek aan mijn ouders.

Mijn vader is voor het grootste deel van de tijd in zijn eigen hoofd verdwenen. Hij fleurt alleen even op als ik hem wat foto’s laat zien van de kamelentocht die ik afgelopen kerst gemaakt heb. En als ik hem een knuffel geef. Verder valt er niets meer te zeggen. Mijn moeder zegt dezelfde dingen die ze al vele malen door de telefoon heeft gezegd. Ik bedwing de neiging om in mijn smartphone te vluchten en maak foto’s. Er moet iets zijn waar ik blij van word. De glimmende roestvrij stalen theepot, de lieve oude poes.

‘Ze worden gemiddeld elf tot dertien jaar, deze katten. Het is een Britse korthaar. Ze is al zestien, dus … Ik hoop elke dag dat ze vredig inslaapt, maar ik kan haar nog niet missen. Het is mijn kind.’
‘Ik ben je kind.’
‘Wat zal ik haar missen als ze er niet meer is. Het is mijn kind.’
‘Dat zal verdrietig zijn, ja,’ antwoord ik voor de honderdste keer.

Ik ga naar huis met in mijn tas drie onderlakens, een pepermolen, twee mandarijnen, een banaan en geld voor de trein. Voor de duizendste maal prent ik mezelf in dat liefde bij ons thuis altijd in materiële zaken wordt uitgedrukt.


Botervloot, kort verhaal


Botervloot I

Ze moet en zal iets voor me kopen op de Grote Markt van Rotterdam. Tegenstribbelen heb ik al jaren geleden opgegeven. ‘Ik heb nog een botervloot nodig,’ zeg ik.
‘Is dat alles?’
Ik kan niets anders bedenken. Bij een kraam met tweedehands spullen zie ik er een, rond, van aardewerk, met niet al te lelijke bloemetjes. Made in Czechoslovakia.
‘Deze is goed.’
‘Weet je het zeker? Wil je niet verder zoeken?’
‘Nee hoor, deze is prachtig,’ lieg ik maar een klein beetje.
Ik probeer ook al jaren niet meer zelf te betalen. Dat ontaardde steevast in hetzelfde schijngevecht. Zij rekent af, de botervloot verdwijnt in mijn tas.
‘Dankjewel, ma, ik ben er blij mee.’
‘Echt?’

Bij een andere kraam staan roestvrijstalen, rechthoekige botervloten. Ze koopt er een, en stopt die in mijn handen.
‘Dan heb je er in ieder geval genoeg.’
Ik vind hem lelijk, maar dat zeg ik niet.
‘Ze moet en zal iets voor me kopen,’ zeg ik tegen de marktkoopman.
‘Mooi toch? Dat is nou moederliefde.’
‘Bedankt ma.’ Een zoen op haar wang.

Vandaag viel er iets van het aanrecht af en brak. De aardenwerken botervloot. Het was of er een erfstuk brak, verdomme. Ik neem de roestvrijstalen in gebruik.

botervloot

Botervloot II

Zijn ogen vallen dicht. Er zakt een rozige schil uit zijn mond.
‘Jan, doe dat nou niet,’ roept mijn moeder, ‘je bent je bovengebit ook al kwijt. Doe in je mond!’
Hij schrikt wakker, zijn ogen schieten vuur.
‘Je hoeft niet meteen als een heks boven me te gaan staan!’
‘Je gebit viel uit je mond, pa,’ zeg ik.
Ma weidt uit: ‘Ik ben al drie weken op zoek naar zijn bovengebit. Zal die ook wel hebben laten vallen, net als zijn portemonnee. Morgen gaan we de schuur maar eens uitkammen.’
Ik verander van onderwerp.
‘Weet je wat er laatst gebeurd is? Die stenen botervloot is kapot gevallen. Zonde. Gelukkig heb ik die roestvrijstalen nog.’
Haar ogen lichten op.
‘Ik heb er nog een voor je.’
‘Daar zeg ik het niet voor hoor.’
‘Nee, maar ik heb er nog een van ons oude servies. Die mag je hebben.’
Ze duikt in de kast en haalt een botervloot tevoorschijn die ik echt mooi vind. Gebroken wit met gouden randjes.
‘Weet je zeker dat je daar vanaf wilt?’
‘Nee,’ zegt ze bestraffend, ‘maar je mag hem hebben.’
De botervloot en het deksel gaan verpakt in keukenpapier in een plastic tasje.

Later, wanneer ik in de gang mijn jas aantrek om naar huis te gaan, legt ze haar wijsvinger over haar lippen en moffelt een briefje in mijn hand. Vijftig euro. Ik omhels haar.
‘Bedankt ma. Bedankt voor alles.’


Haast Onverstaanbare Harry: een personage in ontwikkeling


Wie is Harry?

Op mijn FaceBookpagina duikt de laatste tijd een intrigerend personage op: Haast Onverstaanbare Harry. Net als veel personages is Harry ontstaan uit observaties van echte mensen, maar inmiddels is hij als personage een eigen leven gaan leiden. Ik heb geen idee hoe het hem in de toekomst zal vergaan, maar verwacht hem nog vaak tegen te komen. Daarom zet ik op deze plek de stukjes over Harry tot nu toe. De eerste ‘Harry’ is van 30 augustus, de meest recente van vandaag, 4 november 2013.

Ik loop mijn tuin in. O nee, daar is Haast Onverstaanbare Harry. Droog kuchend zegt hij:
‘Sorry, ik heb vandaag je tuin niet gesproeid.’
‘Geeft niet.’
Ik kan me niet herinneren dat ik hem dat gevraagd heb.
Harry wijst op het aubergientje en vraagt:
‘Is dat buitenlandse groente? Dat eten die Marokkanen zeker, en die Turken?

Daar is hij weer, Haast Onverstaanbare Harry. Het geluid van Abba komt de straat in. Hij zet de motor af en Abba zwijgt. Dan gaan Abba en motor weer aan, hij rijdt een halve meter verder en parkeert nu echt. Ik sta met mijn rug naar hem toe de heg te knippen.
‘Als je wilt dat ik iets terug zeg, moet je verstaanbaar praten,’ denk ik. Maar zoiets zeg ik natuurlijk niet.
‘Heeft er iemand tegenaan gezeten?’ vraagt hij, voor de zoveelste keer op de bruine plek in mijn heg wijzend.
‘Al een tijdje geleden.’ Ik knip door.
‘Wacht even,’ zegt hij, en plukt een slakje uit mijn heg, ‘anders knip je die straks in tweeen.’
‘Ik zal jou eens in tweeen knippen,’ grap ik en wijs naar hem met de heggenschaar.
‘Doe mijn baard maar dan.’
‘Hah hah hah.’
Rot op, Harry.

Hij is echt overal. Precies op het moment dat ik naar de papierbak loop, passeert zijn auto me. Hij stopt bij de glasbak en gooit er twee flessen in. Dan loopt hij met een plastic zak naar de papierbak, waar ik inmiddels bezig ben met een doosje.
Ik probeer het doosje in zijn geheel in de bak te duwen, maar het past net niet.
‘Dat past wel’, zegt Harry, ‘maar je houdt het schuin, kijk maar.’
Hij pakt het doosje uit mijn handen.
‘Succes,’ zeg ik.
Het doosje past niet.
‘Nou het scheelt maar een milimeter,’ zegt hij, ‘maar je hield het schuin.’
Ik begin het doosje handmatig te legen. Hij propt de inhoud van het tasje erbij. Hij is eerder klaar dan ik. Ik scheur het doosje stuk, zodat het wel in de opening past.
‘Bedankt voor het openhouden,’ zegt hij en stapt weer in zijn auto.
‘Bedankt voor je geduld,’ zeg ik achter hem aan.

Na het vertrek van Harry zie ik een kunstkaart op de tegels liggen, een afbeelding van een geschilderd portret. Vermoedelijk heeft iemand een ansicht gestuurd vanaf een verre vakantiebestemming. De kaart is lang genoeg bewaard om zonder schuldgevoel met het oud papier weg te gooien en nu naast de papierbak gevallen. Ik raap de kaart op, nieuwsgierig naar de handgeschreven boodschap op de achterkant.
Er is niets met de hand geschreven. Op de achterkant staat een veertien jaar oude, gedrukte nieuwjaarsgroet van een communistische partij. Het portret op de voorkant blijkt Lenin te zijn. Ik weet dat mijn dorp vroeger bekend stond als een rood bolwerk. Daarvan is nog erg weinig over. In mijn hand houd ik een smoezelig bewijsstuk van een strijdbaar verleden.
Mijn vondst maakt het plotseling belangrijk te weten of de kaart uit het tasje van Haast Onverstaanbare Harry ontsnapt is. Was Harry communist?

ncpn

lenin

De bomen zijn gaan liggen. Gebroken, ontworteld of afgezaagd. Zwerfvuil ligt er ook. Op mijn middagwandeling kom ik de hondenuitlaatclub tegen. Honden en baasjes doen, wie het hardst kan blaffen. De zwaarste stem komt van een grote vrouw met kort, wit haar in lichtblauw trainingspak.
‘Kom nou godverdegodver eens hier, Boris.’
Ik loop verder, over het Perenpad en kom Lia tegen, de vrouw van Haast Onverstaanbare Harry. Ze laat de hond uit.
‘Aan de wandel?’ vraagt ze.
‘Ja, nog even het laatste daglicht meenemen.’
‘Dan mag je wel opschieten.’
‘Ik vind het maar niks dat het zo vroeg donker wordt.’
‘Ach, gewoon kaarsies aandoen, lekker romantisch.’
Zij wel, met d’r Harry.

gebroken bomen


Een fragment van mijn roman in wording

 

Laat haar maar stikken

Koos is al naar zijn werk en Mara slaapt nog diep. Ze droomt dat ze door een tunnel loopt, waar het licht zich met moeite verspreidt. Onder haar voeten kraken brekende schelpen, nee wacht, het zijn zee-egelskeletjes. Uit de wanden van de tunnel steken wortels, die haar proberen vast te pakken. Het zijn tentakels met vingers en zuignappen. Ze waant zich in een binnenstebuiten gekeerd koraalrif. De zacht gloeiende, donkere kleuren zijn fascinerend. Ze wil zich laten meevoeren met die donkerrode, paarse en groene armen. Ze zakt er langzaam in weg.
Een zoemend geluid bereikt haar oren. Er zwemt een vis voorbij, met lichtgevend groene ogen. De vis trilt in het ritme van het gezoem, de groene ogen knipperen. Mara staart in die ogen, terwijl er zich armen om haar heen slaan. De armen zijn zacht en sterk tegelijk en hebben geen vingers, maar ogen. De ogen bekijken haar traag knipperend van top tot teen. ‘Paarse sokken, tsssk,’ lispelt een stem. Ze kijkt terug, speurt de ogen af op sporen van afkeuring. De ogen blijven traag knipperen en spreken niet. De omhelzing wordt steviger. Ze zal nog verdrinken in die armen en in die waterogen. Het kan haar niets schelen. Laat haar maar stikken.
Het gezoem houdt niet op. Mara wordt half wakker, maar krijgt haar ogen niet open. Naast het bed ligt haar telefoon te zoemen en te knipperen. Ze probeert haar arm in die richting te brengen, maar het lukt niet. Ze valt weer in slaap.
Uren later klinkt het gezoem opnieuw. Mara neemt op en hoort de stem van Marie-Louise: ‘Waar was je nou, Mara? Je zou vandaag naar het werk komen. Dit kan zo echt niet hoor.’
‘Is het al donderdag dan?’

Toelichting bij dit fragment: tussen lessen en andere activiteiten door schrijf ik een roman. Daarvoor is rust in mijn hoofd nodig en een lege agenda. Dat schrijfproces verloopt dus langzaam en met tussenpozen. Maar die roman zal er komen. Kortgeleden nam ik de trein naar Hilversum om naar ‘Shut up and write‘ te gaan bij Zinexprez. Er was een uurtje rust en ik schreef een eerste versie van het fragment hierboven. Het wordt opgenomen in mijn roman. Of niet, want schrijven is een langzaam proces, met tussenpozen. En er wordt veel geschrapt.

Je mag reageren, graag zelfs!

Waarom er in het trappenhuis van de Hogeschool een briefje hangt met het woord BUITENDIENST

 

 

U heeft mij gevraagd waarom er aan de muur van dit gebouw achter een raampje een briefje hangt met daarop het woord BUITENDIENST. Ik ben er even voor u achteraan gegaan en heb het volgende ontdekt. Toen dit gebouw in de maak was, werden er draden achter de muren getrokken. Elektriciteitsdraden tussen alle verdiepingen en het kantoor van de Buitendienst. Op de muren werden drukknoppen gemaakt. In geval van brand of andere acute nood kon u op een knop drukken en kwam er iemand van de Buitendienst aangesneld. Dit mocht alleen in noodgevallen, voor alle andere problemen moest de Binnendienst ingeschakeld worden. De locatie van de Binnendienst is het best bewaarde geheim van de Hogeschool, dus in voorkomende gevallen werd op de knop van de Buitendienst gedrukt. Voorkomende gevallen zoals daar zijn: het blijven steken van een munt in de koffie-automaat, het ontbreken van toiletpapier, het blijven steken van een hak in een plak kauwgom, een te koud afgestelde airco-installatie, een te warm afgestelde airco-installatie, een weigerend video-apparaat. U begrijpt dat het personeel van de Buitendienst om de haverklap buiten adem op de verschillende verdiepingen aankwam, om daar te ontdekken dat er werk was voor de collega’s van de Binnendienst. Om dit tegen te gaan is er rondom de knop een kastje gebouwd met een raampje. Bij brand of levensgevaar moest het raampje worden ingeslagen. Dan pas kon men op de knop drukken. Dit werkte beter. Sterker nog: er werd nooit meer op de knop voor de Buitendienst gedrukt. De installatie is daarom buiten gebruik gesteld. Vanaf nu zult u in geval van brand de Binnendienst moeten inschakelen. Mits u die kunt vinden. Zo niet, dan raad ik u aan zelf met een oplossing te komen. De Buitendienst heeft laten weten buitengewoon gelukkig te zijn met deze regeling. Op de Binnendienst heersen meer gemengde gevoelens. Gevreesd wordt dat de afdeling vroeg of laat gevonden zal worden door studenten en docenten. De Tussendienst doet alle moeite om deze ramp af te wentelen. Nu weet u waarom er in het trappenhuis achter een raampje een briefje hangt waarop BUITENDIENST staat. In hoofdletters, zonder spatie.

Met vriendelijke groet, A.F. Schuiver, subhoofd Bovendienst.


Over de grens – kort verhaal


Over de grens

Het moet middernacht zijn als de trein stopt bij de Tsjechische grens. Morgenochtend zal die verder rijden, nadat de douane aan boord is gekomen. Alle deuren blijven vannacht op slot. Hans heeft net zijn bed van de muur af getrokken. De grijsaard op de andere bank zit al uren met gesloten ogen tegen het raam geleund met een vuilgroene deken om zich heen geslagen. Hans kan niet geloven dat hij deze reis naar het oosten mag maken. Een half jaar heeft hij op zijn visum moeten wachten. Zijn vrouw, broers en zuster zijn uitgebreid ondervraagd. Hij gaat naar Praag om de wereldberoemde Tsjechische Leeuweriken te horen zingen en te contracteren voor een optreden in Hamburg.

Niemand weet van de briefwisseling met Liliane, de sopraan die hem heeft gesmeekt haar naar het westen te halen. Hij als concertgebouwdirecteur moet toch contacten hebben met autoriteiten die haar kunnen helpen.

‘Lieve heer Zimmermann,’ schreef ze, ‘U moet me helpen. Ik leef in armoede, mijn talent komt niet tot zijn recht. U moet me helpen naar het vrije westen te vluchten. Daar kan ik vliegen en zingen als een echte leeuwerik. Hier klink ik als een kwetterende staatsmus.’

Hoe vaak hij ook had teruggeschreven dat zijn contacten bij de autoriteiten beperkt waren en zijn macht ontoereikend, haar smeekbrieven bleven komen.

Terwijl Hans de grijze deken van de Oost-Duitse staatscoupé uitvouwt, hoort hij zijn medepassagier nadrukkelijk kuchen. Hans heeft geen behoefte aan een gesprek. Zijn gedachten zijn bij de brieven van Liliane. Zou het lukken om haar in Hamburg te laten blijven na het optreden van de Leeuweriken? Misschien kon zij van Hamburg doorreizen naar Holland en bij zijn vrienden in Amsterdam onderduiken.

De oude man kucht weer. Hans negeert hem. ‘Als je iets wilt vragen,vraag het dan direct,’ denkt hij, ‘en gebruik niet van die opzichtige trucjes om de aandacht te trekken.’ Het grootste probleem is om bij het vertrek van het koor onopgemerkt te laten dat er een zangeres ontbreekt. Er reist een Tsjechisch staatsbeambte mee die de paspoorten beheert en het gezelschap angstvallig in de gaten houdt.

De grijsaard beweegt zijn ruige wenkbrauwen omhoog en knikt in de richting van Hans’ Adidas reistas. ‘Weinig bagage,’ zegt hij, ‘dat is verstandig. Met kleine tassen kun je altijd makkelijk vluchten.’

Als iemand je direct aanspreekt, kun je hem moeilijk negeren.

‘Waarom zou ik willen vluchten?’

De oude man negeert de vraag van Hans en zegt: ‘Mijn grootvader probeerde de oorlog te ontvluchten met zijn dierbaarste bezit, een kist vol boeken, op zijn rug. Hij heeft het niet gered. Hij werd doodgeschoten en zijn boeken zijn verbrand. Als je ver reist, moet je alles achterlaten en een nieuw begin maken. Daar is moed voor nodig.’

‘Gelukkig heeft Liliane haar stem altijd bij zich,’ gaat door het hoofd van Zimmermann. Hij wil haar graag behouden voor de zangkunst in zijn land. Zou hij zijn gezin en zijn reputatie op het spel durven zetten? Voor het eerst voelt hij de behoefte om zijn dilemma met een andere mens te bespreken. Hij ging er eerst vanuit dat hij Liliane nooit zou kunnen helpen. Alleen haar eerste brief had hij aan zijn vrouw voorgelezen. ‘Onmogelijk,’ hadden ze samen geconcludeerd. ‘Triest, maar onoplosbaar.’ De latere brieven heeft hij in zijn bureau opgeborgen. Zal hij het met zijn reisgenoot bespreken? Diens openheid werkt aanstekelijk, uitnodigend zelfs. Maar is het wel verstandig om een onbekende op de hoogte te stellen van zijn geheim? Hier in het oosten kan achter elk vriendelijk gezicht een verrader schuilen.

Hans klautert in zijn reisbed en staart naar het houten plafond dicht boven zijn hoofd. ‘Euh…,’ hij richt zijn stemgeluid naar de grijsaard aan het raam: ‘ik wil u graag iets vertellen.’

‘Dat dacht ik al,’ zegt deze, ‘ik luister.’

Door de vettige duisternis van de coupé klinkt het gefluisterde verhaal over de vraag van Liliane aan Hans. Van beneden komt regelmatig een bevestigend ‘hm hm.’ Bij de vraag: ‘Hoe zorg ik dat de zangeres niet gemist wordt?’ antwoordt de oude:

‘Zij moet zich op de heenreis al verbergen in de goederenwagon. Ik heb vrienden bij het spoor, zij kunnen haar helpen. Ze mag alleen meenemen wat zij op haar lijf kan dragen. Wie op de heenweg het land niet in is gekomen, kan op de terugweg niet gemist worden.’

Het duurt lang voor Hans in slaap valt. Het ontsnappingsplan voor Liliane ontvouwt zich in zijn geest, hij verwerpt het, pakt het weer op en stelt het bij. Het wordt al licht als hij in slaap valt, nog steeds niet zeker van zijn besluit.

‘Pasporte, bitte!’ Donkergoene uniformen stampen door de gang. Hans Zimmerman schiet overeind en stoot zijn hoofd tegen het plafond. ‘Verdomme!’ Hij kijkt naar de plek bij het raam, waar alleen nog een boek met vuilgroene omslag ligt. Op de zijkant staat in gouden kapitalen: De Hiërofant.

Buitenkunst, Tussen Droom en Werkelijkheid – juli 2012


Varken, een UKV – Ultrakort verhaal


Varken

Ik sta met mijn geglazuurde rug naar de mensen toe. Ik ben leeg. Wie geeft er nog fooien tegenwoordig?
‘Wilt u iets drinken?’ vraagt het meisje achter de bar over mijn roze snoet heen.
‘Koffie!’ blaast de gast achter mijn rug. Zijn stem galmt mijn gleuf in.
De koffie is op, het meisje giet water in de machine. Er zat al water in, dus de machine overstroomt.
‘Dat wordt waterige koffie,’ knort de gast.
‘Ik zet snel nieuwe, komt goed,’ zegt het meisje.
Die gast snuift mijn gleuf weer vol en tikt met zijn munt op de bar. Tik tik TIK tik tik TIK.
Dan klinkt harder: TIKKE TIK TIKKE TIK! Ik kijk omhoog. De klok maakt zich kwaad.
De wijzerplaat wordt roder en roder. De grote wijzer tikt vinnig tegen de uitpuilende ruit.
TIK TIK TIK tot het glas barst. De wijzer is een arm met een hand eraan. Lange vingers vingers  grissen de munt uit de handen van die gast.
De munt verdwijnt in mijn porseleinen rug en rinkelt in mijn onderbuik.
‘Voor het meisje,’ zegt de klok, ‘voor het meisje.’

Buitenkunst, tussen Droom en Werkelijkheid – juli 2012


Kort verhaal: Dood gevonden worden


Dood gevonden worden

Ik maak nooit iets mee. Behalve vorige week donderdag. Ik zat in nachtgoed en ochtendjas op de bank, toen er hard werd gebeld. Vlug probeerde ik op te staan, maar bleef met mijn voet haken in het groene fleece-dekentje dat over mijn benen lag. Nadat ik mijn voet vrij geworsteld had, deed ik open. Er stonden vier mensen, een daarvan hield een camera op mij gericht, een andere hengelde met een microfoon. Ik hield mijn ochtendjas stevig dicht en vroeg me af of ze konden ruiken dat ik mijn tanden nog niet had gepoetst.

‘Goeiedag, wij zijn van Man Bijt Hond en we doen een onderzoekje in deze buurt,’ zei de voorste van de vier, een veertiger met donker glimmend haar. Zijn mond stond een beetje scheef.

‘Man Bijt Hond? Echt?’ Ik dacht dat die alleen mensen overvielen rond etenstijd, maar alles op televisie is gelogen, dus het kon waar zijn.

‘Ja echt. Het gebeurt namelijk steeds vaker dat mensen weken dood in hun huis liggen zonder gevonden te worden…’

‘Nou, steeds vaker…’ zei ik, ‘dit soort berichten hoor ik al heel lang.’ Een blonde paardenstaart reikte mij een Spits! aan met daarop een enge foto van een dode man bij zijn computer. De gratis krant kopte: ‘Jimbo83 zit drie weken dood achter zijn computer. Geen van zijn driehonderd internetvrienden heeft iets gemerkt.’

‘Internetvrienden zijn geen echte vrienden, dat weet iedereen toch?’ Zei ik droog.

‘Denkt u dat zoiets hier ook zou kunnen gebeuren?’

‘Ik weet het niet, hier houden de mensen elkaar behoorlijk in de gaten. Ik heb de sleutel van die buurvrouw en van die buren die nu drie weken op vakantie zijn. O jee, en dat zeg ik nu zomaar voor de camera.’ Ik schrok omdat ik dacht aan de serie inbraken van de afgelopen tijd.

‘Als iemand overdag de gordijnen dicht heeft, zou u dan gaan kijken wat er aan de hand is?’

‘Nee hoor, ik heb zelf ook weleens overdag de gordijnen dicht. Ik houd van uitslapen, zoals jullie zien.’ Toen werd de glimmerd een beetje gemeen. Hij wierp een blik in mijn tuintje en zei: ‘Daar is al een tijd niks aan gebeurd. Komen mensen dan kijken of alles in orde is?’ Afgemeten zei ik: ‘Ik heb een halfwilde tuin. Dat is een bewuste keuze en daar geniet ik van. Er is een ander probleem dat speelt in deze buurt, er wordt veel ingebroken…’ Voor dat onderwerp was Man Bijt Hond niet gekomen.

‘Bedankt voor de medewerking. U heeft leuke dingen gezegd. Misschien wordt het uitgezonden. In april of zo.’ De buren zijn dan gelukkig al lang terug van vakantie. Terug op de bank bedacht ik dat ik misschien wel op televisie kom, in april of zo, in mijn dikke beige ochtendjas, met ongekamde haren. Ik moet toch eens eerder opstaan en me dan meteen aankleden. Voor als er aangebeld wordt

Nu nog even een gedicht. Het is van mijn favoriete dode dichter, Lucebert. Hij heeft me zelden teleurgesteld. Ik sloeg zijn verzameld werk open en vond een gedicht over bijtende honden die uit hun bek stinken. Er komen ook vergeten doden in voor, dus dat komt goed uit.

marode*

het is niet zo dat ik honden haat
maar wel stinken de heren kwalijk uit hun bek
toch zondig voel ik mij nadat ik ben gebeten
zijn zij in de woestijn wellicht miskende
boetprofeten die slechts aas eten
om vergeten doden knagend te gedenken

Uit: van de maltentige losbol, 1994

Dit verhaal is een ‘imitatio’ van de verhalen uit ‘Ik maak nooit iets mee‘ van Guus Middag

*Marode komt van het Franse woord maraud, dat ‘schelm’ betekent. Volgens Van Dale betekent marode of merode: armoede of gebrek. De uitdrukking ‘in de marode zitten’ betekent: aan lager wal zijn, of in narigheid, moeilijkheden zitten.


Kort verhaal ‘Het gat in de berg’ in boek Levenslef

Een kort verhaal van mijn hand, getiteld ‘Het gat in de berg’ werd onlangs gepubliceerd in het boek Levenslef.

Levenslef  is ‘een ode aan iedereen die de levenskunst verstaat in de val een nieuwe toekomst te ontdekken’. Het bevat elf levensverhalen en negen gedichten, aangevuld met zeven ‘stromende’ waterfoto’s. Met deze 11/9-opbouw en de datum van publicatie verwijst initiatiefnemer La Scuola, naar de bijzondere gebeurtenissen op 9/11. De levensverhalen vertellen van de persoonlijke tegenslag die de schrijvers moesten incasseren en hoe zij daardoor weer sterker in het leven kwamen te staan. Hun worsteling is herkenbaar alledaags en kan daarom ook anderen inspireren.

De negen gedichten zijn van dichter Margriet van Bebber. Als La Scuola-mentor begeleidde zij de elf auteurs bij de eindredactie van de verhalen. Fotograaf Gerard Oonk verbeeldt met zijn verstilde beelden de levensstroom waaruit de schrijvers van Levenslef blijken te putten. De Witte Uitgeverij uit Leiden maakte er een goed verzorgde uitgave van. Stef Bos leidt de verhalen in met speciaal voor ‘Levenslef’ geschreven poëzie: in voorzichtige woorden toont hij zijn respect voor de opmerkelijke verhalen.

Wil je jezelf het boek Levenslef cadeau geven of weggeven aan mensen die wel wat ‘Lef’ kunnen gebruiken of dat juist hebben getoond?

Dit is de bestelinformatie:
‘Levenslef’ kost € 19.95
ISBN 978-94-6107-086-9
Te bestellen bij de boekhandels, Bol.com, De Witte Uitgeverij in Leiden en bij de academie voor levenskunst