Blog Archives

Procrastineren, moet je dat afleren?

 

Procrastineren, moet je dat afleren?
Van de lat, de stok en de boog

Vanuit het schrijfhuis, Wamel, maandag 3 augustus 2015, aangepast te Amsterdam op maandag 22 augustus 2016

Streng regime

Er was een tijd dat ik dacht dat een échte schrijver dagelijks minstens acht uur achter zijn bureau zat te werken. Een echte schrijver begon al voor dag en dauw of ging tot diep in de nacht door. Ik was nog niet bekend met het verschijnsel procrastinatie of uitstelgedrag. Zolang ik mezelf geen streng regime oplegde, mocht ik me geen schrijver noemen.

Op die manier lag de lat voor mij onbereikbaar hoog. In de eerste plaats ben ik zonder dringende verplichtingen zelden voor tienen wakker, in de tweede plaats schraap ik een bescheiden inkomen bij elkaar met ander werk en in de derde plaats lukt het me zelden om meer dan twee uur op een dag te schrijven, ook op die zeldzame dagen dat ik geen verplichtingen heb. Volgens mijn eigen criterium zou ik mezelf hooguit parttime schrijver mogen noemen.

Stokken en ellebogen

Hoe pakken fulltime schrijvers dat aan, hoe delen ze hun tijd in, hoe verwerven ze hun inkomen? Ze zijn toch niet allemaal gepensioneerd of in het bezit van een werkende partner? Er zijn er maar een paar die van de opbrengst van hun boeken kunnen leven.

De stok achter de deur is een manier om meer tot schrijven te komen. Ik houd van schrijfopdrachten, en nog meer van schrijven in opdracht. Schrijven in opdracht gaat altijd vlotter omdat er iemand op de tekst zit te wachten en omdat er na afloop een – bescheiden – beloning wacht.

Maar voor romanschrijvers en dichters is er geen stok achter de deur. Het literaire veld is er een vol ellebogen en vol stokken om je eruit te slaan. Ik aarzel steeds om me op dat terrein te begeven. Als ik af en toe om het hoekje kijk, zie ik vooral ontmoediging en afgunst, geen aanmoediging.

Vervelende klussen hebben meer aanhiktijd

Als ik de lat en de stok even laat voor wat ze zijn, is daar altijd nog de boog om over te tobben. Hoe lang kan die gespannen staan en wat is dan het rendement? Hoe heerlijk het ook is om in geschrijf te verdwijnen en met een stuk tekst voor de dag te komen, schrijven kost energie. De hersens hebben brandstof nodig om te kunnen werken. Dit heb ik heel lang onderschat.

Mijn misvatting was dat je van leuke dingen doen altijd energie krijgt. Dat je daarna altijd verfrist met nieuwe impulsen aan de slag gaat. Dat is maar gedeeltelijk waar. Het lichaam én het denkhoofd hebben echt regelmatig rust nodig om te kunnen blijven werken, hoe leuk en bevredigend het werk ook is. Het verschil zit erin dat vervelende klussen meer aanhiktijd hebben en vermoeiender zijn.

Uitrusten en jezelf belonen

Om in balans te blijven moet je na elke bevredigende activiteit ook rusten. Tevredenheid oogsten, jezelf belonen met een kop koffie, of een dom spelletje doen om je hoofd leeg te maken. Ik kan je ook aanraden om zijpaden te bewandelen, zoals toegeven aan de zin om een gedicht te schrijven of een stukje over uitstelgedrag. Voer vooral gesprekken met vrienden en wissel van gedachten met andere schrijvers.

Het is allemaal research

Lezen, films en series kijken: het is allemaal input, ik noem het research. Ik luister gesprekken af, ik wandel en fotografeer om indrukken te verzamelen voor de databank in mijn hersenen. Die zit vol informatie, dialogen, beelden en stemmingen om uit te putten voor een boek of verhaal. Het grootste gedeelte blijft ongebruikt, net zoals het grootste deel van ruwe teksten ongebruikt blijft. Het rendement aan publicabele tekst is dus laag. Toch zijn al die inspanningen en al dat materiaal belangrijk voor de databank in je hoofd, de compost waaruit teksten groeien. Een vriend van me zei het simpel: ‘Je kunt wel de hele dag met schrijven bezig zijn, maar niet de hele dag zitten schrijven.’

Lekker tijd verklooien

Zo zit dat. Vanaf nu voel ik me minder schuldig als ik in plaats van te schrijven een stom spelletje zit te doen terwijl er allerlei diepzinnige gedachten door mijn hoofd gaan. Mijn hoofd verwerkt en broedt, terwijl mijn ogen en handen iets anders doen. Ze hebben het nodig. Lekker blijven teuten en tijd verklooien hoort allemaal bij het schrijfproces. Procrastineer je suf, hik aan tegen schrijven, tot je wel weer moet schrijven. Op dat moment is de batterij is opgeladen en kan weer energie afgeven om te schrijven.

 

De plaat poetsen – column

 

De plaat poetsen

Ik werk aan een roman, al jaren. De wereld is daarvan op de hoogte, dat helpt. Als de wereld weer eens informeert hoe het met de roman gaat, geef ik een omschrijving van het punt in het trage proces waarop ik op dat moment ben. ‘Ik heb nu drie delen en ik twijfel nog over een vierde deel, een epiloog. Of ik werk er nog een verhaallijn doorheen.’ Opdat ze mij geloven. Dat ik echt aan een roman werk.
‘Heb je al een uitgever?’ vragen ze soms.
‘Nee, die stap heb ik nog niet durven zetten. Ik wil eerst een complete versie hebben.’

De zomer is gereserveerd voor het werk aan dit boek. Dat wil niet zeggen, dat ik vanaf vakantiedag één braaf aan mijn bureau zit om pagina’s toe te voegen. Eerst poets ik de plaat. Ik ruim opgehoopte lesmaterialen op, bevrijd het huis van kattenharen en miljoenen van de miljarden huishoudbacteriën, plant bietjes in de tuin, wandel en maak foto’s van licht op water. Mijn excuus: ‘Ik schrijf met licht.’

In mijn tweede jaar op de kunstacademie leerde ik bij grafische technieken de letterlijk ‘de plaat te poetsen’. Als voorbereiding op het echte etsen in een koperen plaat moesten we deze eerst schuren, polijsten en met brasso poetsen tot die op een spiegeltje leek. Daar kon ik uren mee bezig zijn, in gedachten fantaserend over de prachtige ets die er uiteindelijk van zou komen. We werden hierbij geholpen door een werkplaatsassistent, want de grafiekdocent was ‘m gesmeerd. Die hield zich liever bezig met zijn collectie mooie artistieke meisjes. Omdat mijn etsen en het onderwijs tegenvielen, ben ik in dat tweede jaar van de academie vertrokken.

‘Doe eens wat nuttigs’

Aan die tijd heb ik wel een gedeeltelijk ontwikkeld kunstenaarsoog overgehouden. Als dochter van een metaalbewerker waardeer ik het ambachtelijke deel van grafisch werk. Er is ook een arbeiderskinderstemmetje dat altijd zeurt: ‘Doe eens wat nuttigs!’ Later heb ik als loonslaaf in de Welzijn geleerd dat je productie moet leveren, meetbaar in minuten en in uitgestroomde cliënten.

Nu er geen manager meer in mijn nek hijgt, bestraf ik mezelf aan het begin van een schrijfperiode. Dan moet ik eerst afscheid nemen van lessen voorbereiden, groepen en klasjes, van schrijven in opdracht en van de boekhouding. En ik moet de strenge interne criticus paaien. Het is wél nuttig wat ik doe, het is voorbereiding, omschakelen van de lesgeef- naar de schrijfmodus. Ik moet mezelf steeds opnieuw toestaan om langzamer te leven, uit te slapen – een doodzonde! – doelloos te kuieren en de omgeving met mijn half ontwikkelde kunstenaarsoog waar te nemen. Om een uur naast een sloot te staan voor een impressionistische foto van een waterhoentje. Om teksten te schrijven die niet in het boek passen, stomweg omdat ze in me komen opborrelen. Het is allemaal voorbereiding op dat andere, echte werk.

De komende dagen ruim ik mijn huisje verder op, behandel de poezen tegen vlooien en teken, sproei nog een keer de tuin, stop onder- en bovengoed in fietstassen en leg de laptop erboven op. Dan poets ik de plaat, naar een schrijfhuis, waar ik echt aan dat vierde deel van die roman ga werken, of aan die extra verhaallijn.