Blog Archives

Blog: Een veilige plek, de achtergrond

 

Blogtekst over de achtergrond van mijn roman ‘Een veilige plek’.

Aflevering I: Het begin

Nu mijn roman ‘Een veilige plek’ is geschreven en de zoektocht naar publicatie begint, wil ik graag wat meer vertellen over de achtergronden van het verhaal. De roman is een verzameling fictieve verhaallijnen, gebaseerd op mijn eigen ervaringen in de vrouwenopvang. Het hoofdpersonage, maatschappelijk werkster Mara Visser, lijkt wel op mij, maar ik ben haar niet. Ook alle beschreven hulpverleners, bewoonsters van de opvang, collega’s en zelfs die grillige en tirannieke leidinggevende, Marie-Louise zoog ik allemaal uit mijn overvolle en pijnlijk kloppende duim. De ervaringen, waardoor ik zo vol en gekwetst raakte, wil ik in de komende tijd beschrijven in een aantal blogteksten. Op dit moment heb ik nog geen idee van het aantal teksten en de chronologie daarbinnen. Ik begin op een vrij willekeurig moment, dat ik toch maar ‘het begin’ zal noemen.

In de roman ‘Een veilige plek’ heb ik de waarheid gelogen over wonen en werken in een Blijf-van-mijn-lijfhuis. De waarheid wilde vreselijk graag verteld worden, het liegen was nodig om enige afstand te nemen en om echte mensen te beschermen.

Het begin

In 1996 was ik werkzoekend en kostwinner. Met losse diensten in de kinderopvang en als groepsleidster bij verschillende jeugdhulpverleningsorganisaties schraapte ik een klein inkomen bij elkaar voor mijzelf en mijn toenmalige vriend die werkloos was en studeerde. Daarnaast volgde ik een parttime opleiding aan de kunstacademie en werkte ik vrijwillig bij de inmiddels opgeheven hulplijn Vrouwen Bellen Vrouwen. Het mag duidelijk zijn dat ik toen, op mijn 36e, nog geen duidelijke richting had gekozen in mijn loopbaan. Het kan ook zijn dat de omstandigheden niet altijd hebben meegeholpen. Daarover vertel ik later misschien meer.

Feminisme

Vrouwen Bellen Vrouwen (VBV) was een feministische hulplijn, gevestigd in een zolderkamer van het Vrouwenhuis in Amsterdam. Omdat ergens bij horen nooit mijn sterkste kant is geweest, dacht ik dat het feminisme misschien iets voor mij was. Ik had er in ieder geval veel over gelezen, in allerlei Amerikaanse pockets uit tweedehands boekwinkels. Mijn collega vrijwilligers bij VBV waren divers: er was een professioneel slachtofferhulpverleenster bij en een vrouw met een dissociatieve identiteitsstoornis (DIS). Het waren allemaal vrouwen die op zoek waren naar zinvolle bezigheden voor een paar uur in de week. We werden geschoold op het gebied van gesprekstechnieken en uiteenlopende hulpvragen.

Ik ontdekte dat ik goed kon luisteren en doorvragen. Problematiek varieerde van eenzaamheid, depressie, tot psychische problemen en huiselijk geweld. Ik leerde de sociale kaart kennen om te kunnen doorverwijzen. Bij het bestuderen van de sociale kaart kwam ik een beschrijving tegen van het Eliashuis en dacht: daar wil ik werken! De precieze beschrijving ben ik vergeten, maar mijn belangstelling werd gewekt door termen als ‘leefgemeenschap’, ‘veiligheid’ en ‘solidariteit’. Het zou kunnen dat ik hiervan een te zonnige voorstelling had na al die feministische lectuur.

Kinderwerkster

Er was een vacature voor kinderwerkster. Als doctorandus in de Ontwikkelingspsychologie en met mijn ervaring in diverse kindergroepen was ik meer dan gekwalificeerd voor de functie. Ik werd aangenomen, eerst tijdelijk, daarna met een vast contract als kinderwerkster met coördinerende taken. ‘Nu hebben we een goeie,’ zei de directeur over mij.

Wordt vervolgd

Botervloot, kort verhaal


Botervloot I

Ze moet en zal iets voor me kopen op de Grote Markt van Rotterdam. Tegenstribbelen heb ik al jaren geleden opgegeven. ‘Ik heb nog een botervloot nodig,’ zeg ik.
‘Is dat alles?’
Ik kan niets anders bedenken. Bij een kraam met tweedehands spullen zie ik er een, rond, van aardewerk, met niet al te lelijke bloemetjes. Made in Czechoslovakia.
‘Deze is goed.’
‘Weet je het zeker? Wil je niet verder zoeken?’
‘Nee hoor, deze is prachtig,’ lieg ik maar een klein beetje.
Ik probeer ook al jaren niet meer zelf te betalen. Dat ontaardde steevast in hetzelfde schijngevecht. Zij rekent af, de botervloot verdwijnt in mijn tas.
‘Dankjewel, ma, ik ben er blij mee.’
‘Echt?’

Bij een andere kraam staan roestvrijstalen, rechthoekige botervloten. Ze koopt er een, en stopt die in mijn handen.
‘Dan heb je er in ieder geval genoeg.’
Ik vind hem lelijk, maar dat zeg ik niet.
‘Ze moet en zal iets voor me kopen,’ zeg ik tegen de marktkoopman.
‘Mooi toch? Dat is nou moederliefde.’
‘Bedankt ma.’ Een zoen op haar wang.

Vandaag viel er iets van het aanrecht af en brak. De aardenwerken botervloot. Het was of er een erfstuk brak, verdomme. Ik neem de roestvrijstalen in gebruik.

botervloot

Botervloot II

Zijn ogen vallen dicht. Er zakt een rozige schil uit zijn mond.
‘Jan, doe dat nou niet,’ roept mijn moeder, ‘je bent je bovengebit ook al kwijt. Doe in je mond!’
Hij schrikt wakker, zijn ogen schieten vuur.
‘Je hoeft niet meteen als een heks boven me te gaan staan!’
‘Je gebit viel uit je mond, pa,’ zeg ik.
Ma weidt uit: ‘Ik ben al drie weken op zoek naar zijn bovengebit. Zal die ook wel hebben laten vallen, net als zijn portemonnee. Morgen gaan we de schuur maar eens uitkammen.’
Ik verander van onderwerp.
‘Weet je wat er laatst gebeurd is? Die stenen botervloot is kapot gevallen. Zonde. Gelukkig heb ik die roestvrijstalen nog.’
Haar ogen lichten op.
‘Ik heb er nog een voor je.’
‘Daar zeg ik het niet voor hoor.’
‘Nee, maar ik heb er nog een van ons oude servies. Die mag je hebben.’
Ze duikt in de kast en haalt een botervloot tevoorschijn die ik echt mooi vind. Gebroken wit met gouden randjes.
‘Weet je zeker dat je daar vanaf wilt?’
‘Nee,’ zegt ze bestraffend, ‘maar je mag hem hebben.’
De botervloot en het deksel gaan verpakt in keukenpapier in een plastic tasje.

Later, wanneer ik in de gang mijn jas aantrek om naar huis te gaan, legt ze haar wijsvinger over haar lippen en moffelt een briefje in mijn hand. Vijftig euro. Ik omhels haar.
‘Bedankt ma. Bedankt voor alles.’


Haast Onverstaanbare Harry: een personage in ontwikkeling


Wie is Harry?

Op mijn FaceBookpagina duikt de laatste tijd een intrigerend personage op: Haast Onverstaanbare Harry. Net als veel personages is Harry ontstaan uit observaties van echte mensen, maar inmiddels is hij als personage een eigen leven gaan leiden. Ik heb geen idee hoe het hem in de toekomst zal vergaan, maar verwacht hem nog vaak tegen te komen. Daarom zet ik op deze plek de stukjes over Harry tot nu toe. De eerste ‘Harry’ is van 30 augustus, de meest recente van vandaag, 4 november 2013.

Ik loop mijn tuin in. O nee, daar is Haast Onverstaanbare Harry. Droog kuchend zegt hij:
‘Sorry, ik heb vandaag je tuin niet gesproeid.’
‘Geeft niet.’
Ik kan me niet herinneren dat ik hem dat gevraagd heb.
Harry wijst op het aubergientje en vraagt:
‘Is dat buitenlandse groente? Dat eten die Marokkanen zeker, en die Turken?

Daar is hij weer, Haast Onverstaanbare Harry. Het geluid van Abba komt de straat in. Hij zet de motor af en Abba zwijgt. Dan gaan Abba en motor weer aan, hij rijdt een halve meter verder en parkeert nu echt. Ik sta met mijn rug naar hem toe de heg te knippen.
‘Als je wilt dat ik iets terug zeg, moet je verstaanbaar praten,’ denk ik. Maar zoiets zeg ik natuurlijk niet.
‘Heeft er iemand tegenaan gezeten?’ vraagt hij, voor de zoveelste keer op de bruine plek in mijn heg wijzend.
‘Al een tijdje geleden.’ Ik knip door.
‘Wacht even,’ zegt hij, en plukt een slakje uit mijn heg, ‘anders knip je die straks in tweeen.’
‘Ik zal jou eens in tweeen knippen,’ grap ik en wijs naar hem met de heggenschaar.
‘Doe mijn baard maar dan.’
‘Hah hah hah.’
Rot op, Harry.

Hij is echt overal. Precies op het moment dat ik naar de papierbak loop, passeert zijn auto me. Hij stopt bij de glasbak en gooit er twee flessen in. Dan loopt hij met een plastic zak naar de papierbak, waar ik inmiddels bezig ben met een doosje.
Ik probeer het doosje in zijn geheel in de bak te duwen, maar het past net niet.
‘Dat past wel’, zegt Harry, ‘maar je houdt het schuin, kijk maar.’
Hij pakt het doosje uit mijn handen.
‘Succes,’ zeg ik.
Het doosje past niet.
‘Nou het scheelt maar een milimeter,’ zegt hij, ‘maar je hield het schuin.’
Ik begin het doosje handmatig te legen. Hij propt de inhoud van het tasje erbij. Hij is eerder klaar dan ik. Ik scheur het doosje stuk, zodat het wel in de opening past.
‘Bedankt voor het openhouden,’ zegt hij en stapt weer in zijn auto.
‘Bedankt voor je geduld,’ zeg ik achter hem aan.

Na het vertrek van Harry zie ik een kunstkaart op de tegels liggen, een afbeelding van een geschilderd portret. Vermoedelijk heeft iemand een ansicht gestuurd vanaf een verre vakantiebestemming. De kaart is lang genoeg bewaard om zonder schuldgevoel met het oud papier weg te gooien en nu naast de papierbak gevallen. Ik raap de kaart op, nieuwsgierig naar de handgeschreven boodschap op de achterkant.
Er is niets met de hand geschreven. Op de achterkant staat een veertien jaar oude, gedrukte nieuwjaarsgroet van een communistische partij. Het portret op de voorkant blijkt Lenin te zijn. Ik weet dat mijn dorp vroeger bekend stond als een rood bolwerk. Daarvan is nog erg weinig over. In mijn hand houd ik een smoezelig bewijsstuk van een strijdbaar verleden.
Mijn vondst maakt het plotseling belangrijk te weten of de kaart uit het tasje van Haast Onverstaanbare Harry ontsnapt is. Was Harry communist?

ncpn

lenin

De bomen zijn gaan liggen. Gebroken, ontworteld of afgezaagd. Zwerfvuil ligt er ook. Op mijn middagwandeling kom ik de hondenuitlaatclub tegen. Honden en baasjes doen, wie het hardst kan blaffen. De zwaarste stem komt van een grote vrouw met kort, wit haar in lichtblauw trainingspak.
‘Kom nou godverdegodver eens hier, Boris.’
Ik loop verder, over het Perenpad en kom Lia tegen, de vrouw van Haast Onverstaanbare Harry. Ze laat de hond uit.
‘Aan de wandel?’ vraagt ze.
‘Ja, nog even het laatste daglicht meenemen.’
‘Dan mag je wel opschieten.’
‘Ik vind het maar niks dat het zo vroeg donker wordt.’
‘Ach, gewoon kaarsies aandoen, lekker romantisch.’
Zij wel, met d’r Harry.

gebroken bomen


Een fragment van mijn roman in wording

 

Laat haar maar stikken

Koos is al naar zijn werk en Mara slaapt nog diep. Ze droomt dat ze door een tunnel loopt, waar het licht zich met moeite verspreidt. Onder haar voeten kraken brekende schelpen, nee wacht, het zijn zee-egelskeletjes. Uit de wanden van de tunnel steken wortels, die haar proberen vast te pakken. Het zijn tentakels met vingers en zuignappen. Ze waant zich in een binnenstebuiten gekeerd koraalrif. De zacht gloeiende, donkere kleuren zijn fascinerend. Ze wil zich laten meevoeren met die donkerrode, paarse en groene armen. Ze zakt er langzaam in weg.
Een zoemend geluid bereikt haar oren. Er zwemt een vis voorbij, met lichtgevend groene ogen. De vis trilt in het ritme van het gezoem, de groene ogen knipperen. Mara staart in die ogen, terwijl er zich armen om haar heen slaan. De armen zijn zacht en sterk tegelijk en hebben geen vingers, maar ogen. De ogen bekijken haar traag knipperend van top tot teen. ‘Paarse sokken, tsssk,’ lispelt een stem. Ze kijkt terug, speurt de ogen af op sporen van afkeuring. De ogen blijven traag knipperen en spreken niet. De omhelzing wordt steviger. Ze zal nog verdrinken in die armen en in die waterogen. Het kan haar niets schelen. Laat haar maar stikken.
Het gezoem houdt niet op. Mara wordt half wakker, maar krijgt haar ogen niet open. Naast het bed ligt haar telefoon te zoemen en te knipperen. Ze probeert haar arm in die richting te brengen, maar het lukt niet. Ze valt weer in slaap.
Uren later klinkt het gezoem opnieuw. Mara neemt op en hoort de stem van Marie-Louise: ‘Waar was je nou, Mara? Je zou vandaag naar het werk komen. Dit kan zo echt niet hoor.’
‘Is het al donderdag dan?’

Toelichting bij dit fragment: tussen lessen en andere activiteiten door schrijf ik een roman. Daarvoor is rust in mijn hoofd nodig en een lege agenda. Dat schrijfproces verloopt dus langzaam en met tussenpozen. Maar die roman zal er komen. Kortgeleden nam ik de trein naar Hilversum om naar ‘Shut up and write‘ te gaan bij Zinexprez. Er was een uurtje rust en ik schreef een eerste versie van het fragment hierboven. Het wordt opgenomen in mijn roman. Of niet, want schrijven is een langzaam proces, met tussenpozen. En er wordt veel geschrapt.

Je mag reageren, graag zelfs!