Wat er speelt

Wat er speelt

Waarom wil ik het weten?
Waarom pak ik geen boek?

Nieuwsgierig aapje maakt een raampje open
en de rioolbuis braakt figuren uit
misvormd van mooi- of lelijkheid
ik zou sterren moeten schieten
in het scherm

Waarom wil ik het weten?
Waarom pak ik geen boek?

Aapje weet wat spelen is
verdomd, het draait de wereld om:

Brengt Matthijs tot zwijgen
langzaam praat hij, achterstevoren
DE bal wordt uit HET doel gezogen
door EEN schoen

Een goede band speelt vijf minuten
tafelheren laten – galant – elkander uitpraten
afzeikers krijgen antwoord van aardige gasten
politici spreken de waarheid

Barbies baby floept krijsend
terug in haar schoot, op neuken
volgt versieren, op versieren drank
tatoeages verbleken
onder naalden

Dit is geen TV
geen werkelijkheid
dit is mijn spel, mijn poëzie


Waarom er in het trappenhuis van de Hogeschool een briefje hangt met het woord BUITENDIENST

 

 

U heeft mij gevraagd waarom er aan de muur van dit gebouw achter een raampje een briefje hangt met daarop het woord BUITENDIENST. Ik ben er even voor u achteraan gegaan en heb het volgende ontdekt. Toen dit gebouw in de maak was, werden er draden achter de muren getrokken. Elektriciteitsdraden tussen alle verdiepingen en het kantoor van de Buitendienst. Op de muren werden drukknoppen gemaakt. In geval van brand of andere acute nood kon u op een knop drukken en kwam er iemand van de Buitendienst aangesneld. Dit mocht alleen in noodgevallen, voor alle andere problemen moest de Binnendienst ingeschakeld worden. De locatie van de Binnendienst is het best bewaarde geheim van de Hogeschool, dus in voorkomende gevallen werd op de knop van de Buitendienst gedrukt. Voorkomende gevallen zoals daar zijn: het blijven steken van een munt in de koffie-automaat, het ontbreken van toiletpapier, het blijven steken van een hak in een plak kauwgom, een te koud afgestelde airco-installatie, een te warm afgestelde airco-installatie, een weigerend video-apparaat. U begrijpt dat het personeel van de Buitendienst om de haverklap buiten adem op de verschillende verdiepingen aankwam, om daar te ontdekken dat er werk was voor de collega’s van de Binnendienst. Om dit tegen te gaan is er rondom de knop een kastje gebouwd met een raampje. Bij brand of levensgevaar moest het raampje worden ingeslagen. Dan pas kon men op de knop drukken. Dit werkte beter. Sterker nog: er werd nooit meer op de knop voor de Buitendienst gedrukt. De installatie is daarom buiten gebruik gesteld. Vanaf nu zult u in geval van brand de Binnendienst moeten inschakelen. Mits u die kunt vinden. Zo niet, dan raad ik u aan zelf met een oplossing te komen. De Buitendienst heeft laten weten buitengewoon gelukkig te zijn met deze regeling. Op de Binnendienst heersen meer gemengde gevoelens. Gevreesd wordt dat de afdeling vroeg of laat gevonden zal worden door studenten en docenten. De Tussendienst doet alle moeite om deze ramp af te wentelen. Nu weet u waarom er in het trappenhuis achter een raampje een briefje hangt waarop BUITENDIENST staat. In hoofdletters, zonder spatie.

Met vriendelijke groet, A.F. Schuiver, subhoofd Bovendienst.


Over de grens – kort verhaal


Over de grens

Het moet middernacht zijn als de trein stopt bij de Tsjechische grens. Morgenochtend zal die verder rijden, nadat de douane aan boord is gekomen. Alle deuren blijven vannacht op slot. Hans heeft net zijn bed van de muur af getrokken. De grijsaard op de andere bank zit al uren met gesloten ogen tegen het raam geleund met een vuilgroene deken om zich heen geslagen. Hans kan niet geloven dat hij deze reis naar het oosten mag maken. Een half jaar heeft hij op zijn visum moeten wachten. Zijn vrouw, broers en zuster zijn uitgebreid ondervraagd. Hij gaat naar Praag om de wereldberoemde Tsjechische Leeuweriken te horen zingen en te contracteren voor een optreden in Hamburg.

Niemand weet van de briefwisseling met Liliane, de sopraan die hem heeft gesmeekt haar naar het westen te halen. Hij als concertgebouwdirecteur moet toch contacten hebben met autoriteiten die haar kunnen helpen.

‘Lieve heer Zimmermann,’ schreef ze, ‘U moet me helpen. Ik leef in armoede, mijn talent komt niet tot zijn recht. U moet me helpen naar het vrije westen te vluchten. Daar kan ik vliegen en zingen als een echte leeuwerik. Hier klink ik als een kwetterende staatsmus.’

Hoe vaak hij ook had teruggeschreven dat zijn contacten bij de autoriteiten beperkt waren en zijn macht ontoereikend, haar smeekbrieven bleven komen.

Terwijl Hans de grijze deken van de Oost-Duitse staatscoupé uitvouwt, hoort hij zijn medepassagier nadrukkelijk kuchen. Hans heeft geen behoefte aan een gesprek. Zijn gedachten zijn bij de brieven van Liliane. Zou het lukken om haar in Hamburg te laten blijven na het optreden van de Leeuweriken? Misschien kon zij van Hamburg doorreizen naar Holland en bij zijn vrienden in Amsterdam onderduiken.

De oude man kucht weer. Hans negeert hem. ‘Als je iets wilt vragen,vraag het dan direct,’ denkt hij, ‘en gebruik niet van die opzichtige trucjes om de aandacht te trekken.’ Het grootste probleem is om bij het vertrek van het koor onopgemerkt te laten dat er een zangeres ontbreekt. Er reist een Tsjechisch staatsbeambte mee die de paspoorten beheert en het gezelschap angstvallig in de gaten houdt.

De grijsaard beweegt zijn ruige wenkbrauwen omhoog en knikt in de richting van Hans’ Adidas reistas. ‘Weinig bagage,’ zegt hij, ‘dat is verstandig. Met kleine tassen kun je altijd makkelijk vluchten.’

Als iemand je direct aanspreekt, kun je hem moeilijk negeren.

‘Waarom zou ik willen vluchten?’

De oude man negeert de vraag van Hans en zegt: ‘Mijn grootvader probeerde de oorlog te ontvluchten met zijn dierbaarste bezit, een kist vol boeken, op zijn rug. Hij heeft het niet gered. Hij werd doodgeschoten en zijn boeken zijn verbrand. Als je ver reist, moet je alles achterlaten en een nieuw begin maken. Daar is moed voor nodig.’

‘Gelukkig heeft Liliane haar stem altijd bij zich,’ gaat door het hoofd van Zimmermann. Hij wil haar graag behouden voor de zangkunst in zijn land. Zou hij zijn gezin en zijn reputatie op het spel durven zetten? Voor het eerst voelt hij de behoefte om zijn dilemma met een andere mens te bespreken. Hij ging er eerst vanuit dat hij Liliane nooit zou kunnen helpen. Alleen haar eerste brief had hij aan zijn vrouw voorgelezen. ‘Onmogelijk,’ hadden ze samen geconcludeerd. ‘Triest, maar onoplosbaar.’ De latere brieven heeft hij in zijn bureau opgeborgen. Zal hij het met zijn reisgenoot bespreken? Diens openheid werkt aanstekelijk, uitnodigend zelfs. Maar is het wel verstandig om een onbekende op de hoogte te stellen van zijn geheim? Hier in het oosten kan achter elk vriendelijk gezicht een verrader schuilen.

Hans klautert in zijn reisbed en staart naar het houten plafond dicht boven zijn hoofd. ‘Euh…,’ hij richt zijn stemgeluid naar de grijsaard aan het raam: ‘ik wil u graag iets vertellen.’

‘Dat dacht ik al,’ zegt deze, ‘ik luister.’

Door de vettige duisternis van de coupé klinkt het gefluisterde verhaal over de vraag van Liliane aan Hans. Van beneden komt regelmatig een bevestigend ‘hm hm.’ Bij de vraag: ‘Hoe zorg ik dat de zangeres niet gemist wordt?’ antwoordt de oude:

‘Zij moet zich op de heenreis al verbergen in de goederenwagon. Ik heb vrienden bij het spoor, zij kunnen haar helpen. Ze mag alleen meenemen wat zij op haar lijf kan dragen. Wie op de heenweg het land niet in is gekomen, kan op de terugweg niet gemist worden.’

Het duurt lang voor Hans in slaap valt. Het ontsnappingsplan voor Liliane ontvouwt zich in zijn geest, hij verwerpt het, pakt het weer op en stelt het bij. Het wordt al licht als hij in slaap valt, nog steeds niet zeker van zijn besluit.

‘Pasporte, bitte!’ Donkergoene uniformen stampen door de gang. Hans Zimmerman schiet overeind en stoot zijn hoofd tegen het plafond. ‘Verdomme!’ Hij kijkt naar de plek bij het raam, waar alleen nog een boek met vuilgroene omslag ligt. Op de zijkant staat in gouden kapitalen: De Hiërofant.

Buitenkunst, Tussen Droom en Werkelijkheid – juli 2012


Maaltijd

 

Maaltijd

Wie hij is en wat hij doet
wil ik niet van zijn bord grissen
wel dat hij het zelf vertelt
zien welk gezicht hij trekt
zijn volume
hoe snel hij praat
hoeveel hij praat

Ik proef aan zijn gezicht dat hij luistert
zachte bevestigende geluiden
meer heb ik niet nodig

Mijn lepel kruipt naar zijn soepkom
rustig nou
zijn ogen lichten op
meer heb ik niet nodig

Het gezelschap groeit weer aan
een goed moment om op te breken
hij legt zijn handen op zijn bovenbenen
om op te staan
om te gaan
zeggen: ik ga

Buitenkunst, tussen Droom en Werkelijkheid – juli 2012


Varken, een UKV – Ultrakort verhaal


Varken

Ik sta met mijn geglazuurde rug naar de mensen toe. Ik ben leeg. Wie geeft er nog fooien tegenwoordig?
‘Wilt u iets drinken?’ vraagt het meisje achter de bar over mijn roze snoet heen.
‘Koffie!’ blaast de gast achter mijn rug. Zijn stem galmt mijn gleuf in.
De koffie is op, het meisje giet water in de machine. Er zat al water in, dus de machine overstroomt.
‘Dat wordt waterige koffie,’ knort de gast.
‘Ik zet snel nieuwe, komt goed,’ zegt het meisje.
Die gast snuift mijn gleuf weer vol en tikt met zijn munt op de bar. Tik tik TIK tik tik TIK.
Dan klinkt harder: TIKKE TIK TIKKE TIK! Ik kijk omhoog. De klok maakt zich kwaad.
De wijzerplaat wordt roder en roder. De grote wijzer tikt vinnig tegen de uitpuilende ruit.
TIK TIK TIK tot het glas barst. De wijzer is een arm met een hand eraan. Lange vingers vingers  grissen de munt uit de handen van die gast.
De munt verdwijnt in mijn porseleinen rug en rinkelt in mijn onderbuik.
‘Voor het meisje,’ zegt de klok, ‘voor het meisje.’

Buitenkunst, tussen Droom en Werkelijkheid – juli 2012


Ooit, een wollig gedicht

 

Ooit

In deze zee van wol
laat ik me leiden
door die kleine kapitein
die keffer die bevelen geeft
braaf golf ik mee van rechts
naar links en terug naar rechts
het lam rukt ongeduldig
aan mijn spenen

Ik, die beter weet
sta niet aan wal
maar midden tussen
slaapwekkend blatende
weigenoten

De draden in mijn brein
breien onzichtbaar
een averechts patroon

Ooit word ik ram
of schaapshond
ik blijf niet meegaan
met de eb en vloed
van scheepswol


Kort verhaal: Dood gevonden worden


Dood gevonden worden

Ik maak nooit iets mee. Behalve vorige week donderdag. Ik zat in nachtgoed en ochtendjas op de bank, toen er hard werd gebeld. Vlug probeerde ik op te staan, maar bleef met mijn voet haken in het groene fleece-dekentje dat over mijn benen lag. Nadat ik mijn voet vrij geworsteld had, deed ik open. Er stonden vier mensen, een daarvan hield een camera op mij gericht, een andere hengelde met een microfoon. Ik hield mijn ochtendjas stevig dicht en vroeg me af of ze konden ruiken dat ik mijn tanden nog niet had gepoetst.

‘Goeiedag, wij zijn van Man Bijt Hond en we doen een onderzoekje in deze buurt,’ zei de voorste van de vier, een veertiger met donker glimmend haar. Zijn mond stond een beetje scheef.

‘Man Bijt Hond? Echt?’ Ik dacht dat die alleen mensen overvielen rond etenstijd, maar alles op televisie is gelogen, dus het kon waar zijn.

‘Ja echt. Het gebeurt namelijk steeds vaker dat mensen weken dood in hun huis liggen zonder gevonden te worden…’

‘Nou, steeds vaker…’ zei ik, ‘dit soort berichten hoor ik al heel lang.’ Een blonde paardenstaart reikte mij een Spits! aan met daarop een enge foto van een dode man bij zijn computer. De gratis krant kopte: ‘Jimbo83 zit drie weken dood achter zijn computer. Geen van zijn driehonderd internetvrienden heeft iets gemerkt.’

‘Internetvrienden zijn geen echte vrienden, dat weet iedereen toch?’ Zei ik droog.

‘Denkt u dat zoiets hier ook zou kunnen gebeuren?’

‘Ik weet het niet, hier houden de mensen elkaar behoorlijk in de gaten. Ik heb de sleutel van die buurvrouw en van die buren die nu drie weken op vakantie zijn. O jee, en dat zeg ik nu zomaar voor de camera.’ Ik schrok omdat ik dacht aan de serie inbraken van de afgelopen tijd.

‘Als iemand overdag de gordijnen dicht heeft, zou u dan gaan kijken wat er aan de hand is?’

‘Nee hoor, ik heb zelf ook weleens overdag de gordijnen dicht. Ik houd van uitslapen, zoals jullie zien.’ Toen werd de glimmerd een beetje gemeen. Hij wierp een blik in mijn tuintje en zei: ‘Daar is al een tijd niks aan gebeurd. Komen mensen dan kijken of alles in orde is?’ Afgemeten zei ik: ‘Ik heb een halfwilde tuin. Dat is een bewuste keuze en daar geniet ik van. Er is een ander probleem dat speelt in deze buurt, er wordt veel ingebroken…’ Voor dat onderwerp was Man Bijt Hond niet gekomen.

‘Bedankt voor de medewerking. U heeft leuke dingen gezegd. Misschien wordt het uitgezonden. In april of zo.’ De buren zijn dan gelukkig al lang terug van vakantie. Terug op de bank bedacht ik dat ik misschien wel op televisie kom, in april of zo, in mijn dikke beige ochtendjas, met ongekamde haren. Ik moet toch eens eerder opstaan en me dan meteen aankleden. Voor als er aangebeld wordt

Nu nog even een gedicht. Het is van mijn favoriete dode dichter, Lucebert. Hij heeft me zelden teleurgesteld. Ik sloeg zijn verzameld werk open en vond een gedicht over bijtende honden die uit hun bek stinken. Er komen ook vergeten doden in voor, dus dat komt goed uit.

marode*

het is niet zo dat ik honden haat
maar wel stinken de heren kwalijk uit hun bek
toch zondig voel ik mij nadat ik ben gebeten
zijn zij in de woestijn wellicht miskende
boetprofeten die slechts aas eten
om vergeten doden knagend te gedenken

Uit: van de maltentige losbol, 1994

Dit verhaal is een ‘imitatio’ van de verhalen uit ‘Ik maak nooit iets mee‘ van Guus Middag

*Marode komt van het Franse woord maraud, dat ‘schelm’ betekent. Volgens Van Dale betekent marode of merode: armoede of gebrek. De uitdrukking ‘in de marode zitten’ betekent: aan lager wal zijn, of in narigheid, moeilijkheden zitten.


Juf groet naschools de dingen



Juf groet naschools de dingen


Dag klaslokaal met digibord
hallo nieuwe gezichten
dag wijsneuzen en schatjes


Dag juf
wat gaan we doen vandaag?
dat ga ik stráks vertellen
eerst koekjes en wat drinken


Dag omgevallen beker


Hier is potlood
hier papier
juf, heeft u ook gum?
dag grappige foutjes


Naar: Marc groet ‘s morgens de dingen van Paul van Ostaijen

Moeten



Moeten


Het kleed hangt over
de tafel staat op
poten maken indruk
op het kleed


Kijk: daar hoort hij
te staan, de tafel


Laat dat
rusten


Vezels mogen terugveren
als gras met madeliefjes


24 september 2011




Wie is Mevrouw SchrijfTaal?


Ik werd op 18 maart 1960 ingeschreven in het Bevolkingsregister van Rotterdam als Wilma van den Akker. Tegenwoordig woon ik in Tuindorp Oostzaan, een dorpje in Amsterdam Noord.

Wat doet Mevrouw SchrijfTaal?
Ik ben gek op schrijven, dichten en op het doorgeven van plezier in schrijven en dichten. Daarom organiseer ik schrijfgroepen en workshops, voor grote en kleine mensen die ook graag creatief schrijven en dat beter willen doen. Vaak gaat het in eerste instantie al om ‘doen’. Door middel van speelse oefeningen help ik je op gang en voor je het weet heb je iets geschreven waar je blij mee bent. Deelnemers aan mijn schrijfgroepen geven elkaar zorgvuldige feedback. Deze feedback of dit commentaar zijn bedoeld om van te leren, niet om elkaars werk de hemel in te prijzen, of -erger- af te kraken. Van alle schrijfgroepen en cursussen worden boekjes gemaakt, zodat iedereen na afloop een tastbare herinnering heeft met daarin een of meer teksten van eigen hand. Nieuwe groepen en workshops worden hier aangekondigd.

Achtergrond
Mevrouw SchrijfTaal neemt een flinke rugzak aan ervaring en studie mee, onder andere een studie Onderwijspsychologie en ervaring met diverse vormen van groepswerk, docentschap en hulpverlening. Ik werkte met kinderen, geneeskundestudenten en met slachtoffers van huiselijk geweld. En al heel lang schrijf ik daarbij. Wat daarvan gepubliceerd is, zal ik vermelden onder ‘Nieuws’ en/of ‘Publicaties’. Sinds januari 2010 staat ‘SchrijfTaal’ ingeschreven als eenmanszaak. In september 2011 begon ik aan de opleiding Docent Creatief Schrijven (DOCS) bij ScriptPlus, om een nog betere schrijfdocent te worden.

Recept
Deze korte kennismaking wil ik afsluiten met mijn recept voor geluk en schrijverschap: