Obstakel, deel I

Obstakel

I

Ze kan er niet langs. Ze is nooit sportief geweest, maar haar benen doen het goed en ze houdt van doorlopen. In de natuur slentert ze en neemt  de tijd om bloemen en insecten te bekijken. Het is weleens voorgekomen dat een berggids haar niet wilde meenemen op een tocht omdat ze de groep zou ophouden. Ze heeft haar jankend toegeschreeuwd: ‘Ik ben hier niet op trainingskamp maar op wandelvakantie. Verzin iets anders!’ Een ander groepslid zei: ‘Wat kan jij goed voor jezelf opkomen!’ Dat is ook voor het eerst.

Als ze een doel heeft, loopt ze sneller. Van meelopers krijgt ze vaak de vraag of het wat langzamer mag. Nu loopt ze op een smalle strook tussen geparkeerde auto’s en een gracht. Voor haar loopt een man met een rollator. Hij maakt een extreem trage slingerbeweging, van links naar rechts en weer terug. Ze komt er maar niet langs. Een oefening in geduld, de man kan er ook niets aan doen. De oude handen van de man knijpen krampachtig in de handvatten van het blauwe looprek. Dat zijn de remmen, knuppel, denkt ze. Het schiet maar niet op.

Ze bewaart haar geduld met moeite en gaat rechts van hem lopen, op het randje van de kade. ‘Meneer, u knijpt in de remmen, zo komt u niet vooruit.’ Hij kijkt haar wezenloos aan. Midden op het haarloze hoofd staat een scherpe neus, die als een potlood vooruitsteekt. Haar beweging stokt even, dan wil ze omkeren en weglopen, weg van deze man. Hij sukkelt verder in zijn gestremde tempo.

Diep ademhalen en een aanloop nemen. Met een paar snelle passen komt ze deze keer links van hem. Ze geeft hem een harde zet richting gracht. Zijn mond valt open, hij knijpt nog harder in de handremmen en hij en zijn looprek kantelen samen als een in het water gekieperd winkelwagentje. Ze klopt zichzelf op de schouders. ‘Goed zo! Prachtig!’ zegt ze, tevreden.


Wordt hier vervolgd

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *